Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3925

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
13/153123-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 28 OLWArt. 29 OLWArt. 47 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 maart 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht op de overlevering van een Poolse verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland.

Eerder had de rechtbank op 10 februari 2026 een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestond voor schending van de grondrechten van de verdachte vanwege de detentieomstandigheden in Polen. De rechtbank had de beslissing geschorst en een redelijke termijn gesteld om te beoordelen of de omstandigheden waren gewijzigd.

Ondanks aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden, waaronder het recht op minimaal twee uur per dag buiten de cel bij deelname aan activiteiten, oordeelde de rechtbank dat deze informatie onvoldoende was om het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. Onzekerheid bleef bestaan over de plaats van detentie en de daadwerkelijke tijd buiten de cel.

De rechtbank gaf daarom geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB. Tevens werd de overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en geeft geen gevolg aan het Europees aanhoudingsbevel wegens onvoldoende garanties over humane detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/153123-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 26 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 november 2023 door
the Criminal Division II of the Regional Court in Ostrołęka,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 27 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, beide advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tussenuitspraak 10 februari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in het
remand regimein Polen.
Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden. Verder heeft de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 10 februari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit en de toetsing aan artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest). Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden in remand prisons

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5.2 van de tussenuitspraak van 10 februari 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 29 januari 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“1. (…) After his potential surrender to the Republic of Poland, the citizen [de opgeëiste persoon] will have the status of a person in pre­trial detention, not a convicted person. The essence of preventive measures, including pre­trial detention, is their temporary nature. Pursuant to Article 253 (1) of the Code of Criminal Procedure, a preventive measure shall be immediately revoked or modified if the reasons for which it was applied cease to exist or if reasons justifying its revocation or modification arise.
2. The conditions in which a person in pre-trial detention is held in the remand centre are similar to those enjoyed by a convicted person. According to Article 214(1) of the Criminal Enforcement Code, except for the situations provided for in the provisions of this chapter, a person in pre-trial detention shall enjoy at least the same rights as those enjoyed by a convicted person serving a prison sentence in the ordinary system in a closed prison, and no restrictions shall be imposed on them other than those necessary to ensure the proper conduct of criminal proceedings, maintain order and security in the remand centre and prevent mutual demoralisation of persons in pre-trial detention.
3. As already indicated in our previous reply, delivered to you on 13th January 2026, a person in pre-trial detention is entitled to an hour's walk. Pursuant to Article 221(1) and (2)(2) of the Code of Enforcement Procedure, a person in pre-trial detention distinguishes themselves by observing the internal order in the detention centre and the rules set out in the organisational and procedural regulations for the execution of pre-trial detention may be granted rewards, including an additional or longer walk.
4. Other consents to leave the prison cell are subject to the decision of the director of the remand centre, but to a large extent depend on the detainee themselves. Participation in cultural and educational activities, sports or religious practices is voluntary. Therefore, it is largely up to the remand prisoner to decide whether they wish to leave their prison cell. In addition, the prisoner may give their consent to employment, which also involves temporarily leaving their cell. Thus, it is not possible to give a clear answer as to how much of the day a prisoner may spend outside their prison cell.”
Naar aanleiding van nadere vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 26 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:

The Regional Court in Ostrołęka, 2nd Criminal Division, with reference to your letter of 17 February 2026 in case ref. no. II Kop 20/23 concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1997, kindly informs you that each sentenced or suspected person surrendered under a European Arrest Warrant to Poland, upon arrival in Warsaw, is usually detained in the Remand Centre Warszawa-Służewiec or in the Remand Centre Warszawa-Białołęka. The amount of time an inmate spends outside their prison cell, if they participate in all available activities, depends on the inmate and their willingness to take part in cultural and educational activities organised within the Remand Centre. They may also undertake a job, but they would have to take such an initiative, of which the court informed you in the letter of 29 January 2026, item 4. The inmate may be visited by their relatives; they may also contact them.”
Het IRC heeft op 2 maart 2026 nogmaals nadere vragen gesteld. In reactie hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 5 maart 2026 het volgende meegedeeld:
"(...) I kindly inform you that the sentenced person [de opgeëiste persoon] can definitely spend outside his prison cell two and more hours if he participates in activities. In each prison centre there are the same rules, which is governed in Poland by the Executive Criminal Code, there is no difference between the two prison centres with respect to the number of hours of staying outside a prison cell."
Standpunten van partijen
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie voldoende is om het algemene gevaar weg te nemen voor de opgeëiste persoon. Er wordt immers gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest meer bestaat voor de opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet langer aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is echter van oordeel dat zich binnen de in de tussenuitspraak van 10 februari 2026 gestelde redelijke termijn geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven, door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt en overweegt daartoe als volgt.
In de tussenuitspraak van 10 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon niet was weggenomen omdat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie niet vermeldt waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering (naar alle waarschijnlijkheid) zal worden gedetineerd en dat op basis van die informatie evenmin kan worden vastgesteld hoeveel uur per dag hij onder normale omstandigheden gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen.
De aanvullende informatie van 26 februari 2026 vermeldt dat elke opgeëiste persoon, zowel veroordeelden als verdachten, die op grond van een EAB aan Polen worden overgeleverd, bij aankomst in Warschau
“usually”worden vastgehouden in het detentiecentrum Warschau-Służewiec of in het detentiecentrum Warschau-Białołęka. Daarmee is volgens de rechtbank niet gegarandeerd dat dit de plek is waar deze opgeëiste persoon na overlevering in het kader van het onderhavige EAB (ter vervolging) gedetineerd zal worden, of dat dit slechts twee gevangenissen in de nabijheid van het vliegveld zijn, waar iedereen die naar Polen overgeleverd wordt, hooguit enkele dagen wordt vastgehouden. Daarbij komt dat de rechtbank ambtshalve bekend is met deze laatste optie en in andere overleveringsverzoeken daarom altijd wordt vermeld naar welke PI de OP (na een kort verblijf in Warschau) wordt overgeplaatst. Het blijft naar het oordeel van de rechtbank daarom onduidelijk in welke gevangenis met
remand regimede opgeëiste persoon geplaatst zal worden in het kader van de vervolging waarvan in het onderhavige EAB sprake is.
Daarnaast vermeldt de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 maart 2026 (na herhaalde verzoeken vanuit het IRC) dat
“the sentenced person [de opgeëiste persoon] ”zeker twee uur of langer buiten zijn cel mag doorbrengen als hij deelneemt aan activiteiten. De rechtbank kan echter, gezien de formulering, uit deze brief niet opmaken of dit ook geldt voor de periode die de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis doorbrengt. Op dat moment is hij immers nog geen “
sentenced person” in het kader van dit EAB. Dit klemt temeer nu dezelfde instantie in de aanvullende informatie van 29 januari 2026 ten aanzien van
remand prisonsheeft medegedeeld dat
“it is not possible to give a clear answer as to how much of the day a prisoner may spend outside their prison cell”.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanvullende informatie in zijn geheel genomen onvoldoende is om het aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Met name kan op basis van de aanvullende informatie niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid geplaatst wordt na overlevering en evenmin kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op dagelijkse basis voldoende tijd buiten zijn cel zal kunnen verblijven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

6.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.