Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4161

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
13-038092-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op basis van individuele detentiegarantie in België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 april 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Hasselt. De verdachte erkende zijn Nederlandse nationaliteit en wenste geen beroep te doen op de terugkeergarantie.

De rechtbank beoordeelde de detentieomstandigheden in België, waarbij zij rekening hield met een individuele detentiegarantie van 4 maart 2026 voor de gevangenis in Hasselt. Deze garantie voorziet in voldoende leefruimte, afgescheiden sanitair, bedden en dagactiviteiten conform internationale standaarden. De raadsman van de verdachte verzocht om aanvullende garanties en een tussenuitspraak, maar dit verzoek werd afgewezen omdat recente aanvullende informatie uit een vergelijkbare zaak voldoende was.

De rechtbank concludeerde dat het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de verdachte door de individuele garantie is weggenomen. Er waren geen nieuwe objectieve gegevens die een verslechtering van de omstandigheden in Hasselt aantoonde. De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, en stond daarom de overlevering toe.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk. De verdachte blijft onder voorwaarden vrij, waaronder het betalen van een borgsom. De zaak illustreert de toepassing van de Overleveringswet en de toetsing van detentieomstandigheden binnen het kader van Europese samenwerking in strafzaken.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan België toe op basis van een voldoende individuele detentiegarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-038092-26
Datum uitspraak: 22 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 januari 2026 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,
feitelijk verblijvende op het adres:
[adres 2] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van €10.000,-.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 28 januari 2026 met kenmerk HA II 25/081.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De opgeëiste persoon heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van die garantie.

6.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

6.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
Bij brief van 4 maart 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

6.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht een tussenuitspraak te doen en de behandeling van de zaak aan te houden. Daartoe heeft hij verwezen naar een andere overleveringszaak waarin een tussenuitspraak is gedaan naar aanleiding van zorgen over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Hasselt. [5] In de einduitspraak in die zaak is de overlevering vervolgens toegestaan, omdat de individuele garantie en de verstrekte aanvullende informatie ertoe hebben geleid dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor die opgeëiste persoon was weggenomen. [6] De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verstrekte individuele garantie in de zaak van de opgeëiste persoon niet afdoende is. Volgens hem is het onvoldoende om de in de andere zaak verkregen aanvullende informatie ambtshalve bij het oordeel van de rechtbank in deze zaak te betrekken. Ook in deze zaak dienen gelijkluidende, aanvullende garanties te worden verstrekt.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de verstrekte individuele detentiegarantie voldoende en wordt daarmee het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg.
6.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 4 maart 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 4 maart 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [7]
Gelet op wat de rechtbank hierna overweegt en de individuele garantie is de rechtbank van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Vast staat dat recent in een andere zaak de overlevering is toegestaan op basis van een vergelijkbare individuele detentiegarantie. In die zaak waren naar aanleiding van berichten over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Hasselt nog wel eerst aanvullende vragen gesteld aan de Belgische autoriteiten (onder meer over de douche- en maaltijdvoorziening en arbeid en dagbesteding), die zijn beantwoord. [8] Met deze vragen was het de bedoeling van de rechtbank om na te gaan of de in die zaak afgegeven individuele garantie ten aanzien van de gevangenis in Hasselt in zijn algemeenheid nog steeds – ondanks de hoge overbevolking aldaar – kon worden nageleefd. Uit de verstrekte antwoorden bleek dat dit het geval is waarna de rechtbank de overlevering in die zaak heeft toegestaan.
Anders dan de raadsman stelt, is die verstrekte aanvullende informatie algemeen van aard en zijn er geen aanvullende individuele garanties ten behoeve van die opgeëiste persoon door de Belgische autoriteiten gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij bij de beoordeling van de zaak van de opgeëiste persoon acht kan slaan op die aanvullende informatie en ervan uit gegaan kan worden dat de verstrekte detentiegarantie van 4 maart 2026 voor de gevangenis van Hasselt wordt nageleefd, ook op de genoemde aspecten. De rechtbank acht het dus niet nodig dat de (algemene) vragen die in de aangehaalde zaak waren gesteld, in deze zaak nogmaals worden voorgelegd aan de Belgische autoriteiten en wijst het verzoek daartoe van de raadsman daarom af. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in de detentie-instelling Hasselt dat getwijfeld moet worden of de verstrekte individuele garantie kan worden nageleefd.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Rb. Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35.
6.Rb. Amsterdam 17 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2752.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
8.Rb. Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35 (tussenuitspraak) en Rb. Amsterdam 17 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2752 (einduitspraak).