ECLI:NL:RBAMS:2026:2752

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
13-261856-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan België ondanks detentieomstandigheden Hasselt

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, België, voor de overlevering van een opgeëiste persoon die momenteel in Nederland gedetineerd is. De procedure kende meerdere zittingen tussen december 2025 en maart 2026, waarbij de rechtbank de termijn voor uitspraak meerdere malen verlengde en het onderzoek tijdelijk opschortte om aanvullende informatie over de detentieomstandigheden in de gevangenis van Hasselt te verkrijgen.

De rechtbank had in een tussenuitspraak van 8 januari 2026 reeds geoordeeld over de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en de detentiegarantie. Gezien het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Hasselt, werd het onderzoek heropend om nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten. Op 3 februari 2026 ontvingen zij gedetailleerde antwoorden over technische defecten, stakingen, hygiëne, voedselvoorziening, arbeid en dagbesteding in de gevangenis.

De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard en dat het EAB niet mocht worden uitgevoerd vanwege de structurele problemen in Hasselt. De officier van justitie stelde echter dat de individuele detentiegarantie en de aanvullende informatie voldoende waarborgen boden om de overlevering toe te staan.

De rechtbank concludeerde dat de individuele garantie en de aanvullende informatie het algemene reële gevaar voor onmenselijke behandeling wegnemen. De opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een instelling die voldoet aan fundamentele rechten en internationale standaarden. Daarom staat de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe ondanks eerdere zorgen over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-261856-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2025 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren-Borgloon, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 18 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 december 2025 niet gesloten. De rechtbank het onderzoek (met instemming van partijen enkelvoudig) gesloten op de zitting van 8 januari 2026 en direct (tussen)uitspraak gedaan.
De tussenuitspraak van 8 januari 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen, die zien op de detentieomstandigheden in de gevangenis in Hasselt aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. [3]
De zitting van 3 februari 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank – voortgezet op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [4]
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 3 maart 2026 om het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de gestelde vragen af te wachten.
De zitting van 3 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank – voortgezet op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 8 januari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3) over de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4) en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 6 van de tussenuitspraak van 8 januari 2026. [5] De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In de tussenuitspraak van 8 januari 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de in deze zaak verstrekte informatie van 25 november 2025, gelezen in samenhang met de informatie van 9 december 2025 die de rechtbank ambtshalve bekend is uit een andere zaak, niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat het eerder vastgestelde algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in de gevangenis van Hasselt is weggenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, indachtig de omstandigheden op grond waarvan het algemeen gevaar voor gedetineerden in België is aangenomen.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) op 15 januari 2026 de hierna weergegeven vragen gesteld, waarop op 3 februari 2026 het Diensthoofd van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, de volgende antwoorden gegeven:
“1. In de informatie van 9 december 2025, die door de directie van de gevangenis van Hasselt is verstrekt, wordt vermeld dat het wassen met emmers water en de sterk beperkte douchemogelijkheden geen standaardpraktijk betreffen en de beperking van de douchemogelijkheden enkel in uitzonderijke omstandigheden van technische defecten en stakingen plaatsvindt. De rechtbank heeft in dat verband de volgende vragen:
a. Hoe vaak hebben voormelde technische defecten zich in de afgelopen zes maanden voorgedaan en welk effect heeft dat gehad op de douchevoorzieningen?
Er was de voorbije zes maanden geen gebruik van emmers voor het wassen, behalve tijdens specifieke werken aan onze hoogspanningsinstallatie. Deze werken waren ruim op voorhand aangekondigd en hebben tijdelijk de toevoer van warm water onderbroken, waardoor emmers ter beschikking werden gesteld zodat de gedetineerden zich konden afspoelen.
Wat de douchevoorzieningen betreft, kunnen er sporadisch technische problemen optreden. Wanneer zich een dergelijk incident voordoet, worden de gedetineerden steeds doorverwezen naar de operationele douches in andere afdelingen, zodat de toegang tot hygiëne te allen tijde gegarandeerd blijft.
b. Hoe vaak is er de afgelopen zes maanden gestaakt en welk effect heeft dat gehad op de douchevoorzieningen?
Wij beschikken op dit moment niet over precieze cijfergegevens met betrekking tot het aantal stakingsdagen in de voorbije zes maanden. Wanneer er stakingsacties plaatsvinden die een impact hebben op de toegang tot de douches, worden er maatregelen genomen zodat de gedetineerden de gemiste douches op de daaropvolgende dagen kunnen inhalen. Op die manier wordt de toegang tot hygiëne zo continu mogelijk gegarandeerd.

2. In voornoemde informatie is verder medegedeeld dat de maaltijdvoorziening onder aanzienlijke druk staat door de structurele overbevolking. Welke concrete gevolgen heeft dit voor de maaltijdvoorziening en hoe verschilt deze ten opzichte van de situatie dat de gevangenis van Hasselt naar capaciteit bezet zou zijn?

In geval van overbevolking worden onze wekelijkse menu’s aangepast om de tijdige bereiding en distributie van de maaltijden te kunnen waarborgen. Het voedingsaanbod blijft evenwichtig, maar kan minder gevarieerd zijn en de keuze beperkter dan wanneer de inrichting op volle capaciteit functioneert.

3. In de voornoemde informatie staat vermeld dat arbeid en dagbesteding zijn beperkt tot ongeveer 120 arbeidsplaatsen, terwijl de totale bezetting 651 gedetineerden bedraagt. Verder volgt uit de informatie dat er thans sprake is van een tekort aan beveiligingspersoneel. Kunt u aangeven welke gevolgen dit heeft voor de tijd die gedetineerden per dag gemiddeld buiten hun cel kunnen verblijven (zowel om te verblijven in gemeenschappelijke ruimtes als om deel te nemen aan arbeid, sport en overige activiteiten buiten de cel)? Kunt u bij beantwoording van deze vraag onderscheid maken tussen de situatie dat er door het gevangenispersoneel wordt gestaakt en de situatie dat er niet wordt gestaakt?

Gemiddeld nemen ongeveer 150 tot 160 gedetineerden deel aan arbeidsactiviteiten (werkplaatsen en andere vormen van dagbesteding). De betrokken gedetineerden verblijven ongeveer acht uur per dag buiten hun cel, waaronder de werktijd, de wandeling en – indien van toepassing – deelname aan een activiteit.
Daarnaast hebben gedetineerden de mogelijkheid hun cel te verlaten om aan sport te doen, deel te nemen aan een vooraf ingeschreven vrijetijdsactiviteit, een cursus te volgen, te wandelen of bezoek te ontvangen. Wij beschikken niet over nauwkeurige cijfergegevens over de gemiddelde dagelijkse duur van deze activiteiten. Deze blijft echter zeer beperkt en kan worden geschat op enkele uren per week per gedetineerde.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en dat er geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB. Het vastgestelde algemene gevaar wordt door de detentiegarantie en de verstrekte aanvullende informatie niet weggenomen.
Uit het antwoord op vraag 1a valt af te leiden dat dat de technische defecten zich tenminste één keer hebben voorgedaan, maar er wordt geen antwoord gegeven op de vraag hoe vaak dat is geweest. In antwoord op vraag 1b wordt gesteld dat er geen cijfergegevens voorhanden zijn. Wel staat vast dat gedetineerden tijdens stakingen niet kunnen douchen. Als de staking drie weken duurt, kan er dus drie weken niet gedoucht worden. Het feit dat gemiste douches kunnen worden ingehaald, maakt niet dat de hygiëne gedurende de drie weken daarvoor op orde is.
Als antwoord op vraag 2 wordt gesteld dat in geval van overbevolking de menu’s aangepast worden. De overbevolking is echter structureel en dus valt uit dit antwoord af te leiden dat de voedselvoorziening nooit op orde is. Uit het antwoord op vraag 3 valt op te maken dat meer dan 75% van de gedetineerden niet deelneemt aan arbeid. Bovendien verblijven de gedetineerden in geval van staking 22 uur per dag op hun cel. Hoe vaak dat plaatsvindt blijkt niet uit het antwoord.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Met de verstrekte individuele detentiegarantie wordt het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen, waardoor deze garantie volstaat. Indien er een klacht is over de naleving van de detentiegarantie, is de ervaring dat daarop wordt geacteerd. Uit de verstrekte aanvullende informatie blijkt niet dat het onmogelijk is om de detentiegarantie na te leven. In geval van staking kunnen de gedetineerden alsnog 2 uur buiten de cel verblijven. In de toets naar de detentieomstandigheden in Polen wordt deze minimaal 2 uur door de rechtbank als voldoende beschouwd. Uit de aanvullende informatie blijkt bovendien dat er alles aan wordt gedaan om de nadelige gevolgen van de stakingen voor de voedselvoorziening en de hygiëne zo beperkt mogelijk te houden.
Het oordeel van de rechtbank
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie en de aanvullende informatie van 3 februari 2026 zijn niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [6] De rechtbank is, gelet op de individuele garantie en bovengenoemde aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten van 3 februari 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
De rechtbank is van oordeel dat met de in de antwoorden genoemde (compenserende) maatregelen ten aanzien van de voedselvoorziening, de tijd die de gedetineerden buiten de cel kunnen verblijven en de persoonlijke hygiëne – ook tijdens stakingen – geen sprake is van een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest wegens een onmenselijke of vernederende behandeling.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren-Borgloon, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rechtbank Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35.
4.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
5.Rechtbank Amsterdam 8 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:35.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.