Uitspraak
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
[eiser 7],
[eiser 8],
[eiser 9],
[eiser 10],
[eiser 11],
[eiser 12],
[eiser 13],
[eiser 14],
[eiser 15],
[eiser 16],
[eiser 17],
[eiser 18],
[eiser 19],
hierna te noemen: huurders,
1. De procedure
23 januari 2024 heeft verhuurder een conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, genomen. Vervolgens is de procedure aangehouden in afwachting van het arrest van
wijziging van eis. Ook hebben zij een akte houdende verzoek prejudiciële vragen genomen. Verhuurder heeft een conclusie van dupliek genomen en tot slot hebben huurders een conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie genomen. Hierna is opnieuw vonnis bepaald.
2. Inleiding
3. De feiten voor zover van belang voor de prejudiciële vragen
- De hoogte van de variabele opslag wordt vastgesteld aan de hand van de waarden van het gehuurde zoals vastgesteld op de basis van de Wet waardering onroerende zaken;
- De gewijzigde huurprijs geldt ook indien van de wijziging aan de huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan;
- Indien het CBS de bekendmaking van bedoeld prijs indexatiecijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd. Indien het CBS haar activiteiten volledig staakt zal na een zoveel mogelijk
- aangepast of vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd van de rechtsopvolger van het CBS of een instantie met een vergelijkbare functie.
- In het geval van hyper inflatie of deflatie kan de verhuurder de huur te allen tijde aanpassen naar de markt conforme huur op de wijze, zoals zij dat wenselijk acht.
4.Het geschil voor zover van belang voor de prejudiciële vragen
Dit bedrag wordt vermeerderd met een opslag van maximaal 7%;”] nietig verklaart;
5.De beoordeling
30 oktober 2025 (ECLI:EU:C:2025:837) en rechtsoverweging 57 van het arrest Kuszycka van
11 december 2025 (ECLI:EU:C:2025:962) – voornemens de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU:
Verzet het Unierecht zich tegen splitsing van een bepaling in twee bedingen, wanneer die bepaling zowel een beding van prijsindexering, als een tweede methode omvat om de (huur)prijs te verhogen en moeten deze bedingen, wanneer splitsing mogelijk is, dan ook afzonderlijk worden beoordeeld op eerlijkheid, in die zin dat bij oneerlijk bevinden van het ene beding het andere beding, te weten het indexatiebeding, in stand kan blijven?
Vraag 5:In hoeverre moet bij de beoordeling van de eerlijkheid van een opslagbeding rekening worden gehouden met de op het moment van aangaan van de overeenkomst te voorziene maximaal mogelijke huurprijsstijging in verhouding met de dan voorzienbare mogelijke stijging of daling van het inkomen van de betreffende individuele huurder en diens mogelijkheden om de verhoogde huur te kunnen blijven betalen (dus in hoeverre moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met individuele omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een huurder een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt en slechts achteruitgang van het reële inkomen valt te verwachten)?
6.Toelichting
7.Ten slotte
8.De beslissing
dinsdag 26 mei 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlaten partijen;