Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
13-335542-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van gewijzigde detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse justitiële autoriteit voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis Fresnes een individueel gevaar voor schending van grondrechten vormden, werd de zaak aangehouden voor een redelijke termijn.

Tijdens de voortzetting van de procedure verstrekte de Franse autoriteit aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waaronder de garantie dat de opgeëiste persoon op verzoek in een eenpersoonscel van 9 tot 10 m² geplaatst zal worden. De rechtbank concludeerde dat deze wijziging in omstandigheden het individuele reële gevaar heeft weggenomen.

De raadsman voerde aan dat geen wijziging had plaatsgevonden en stelde vragen over de praktische haalbaarheid van de garantie, mede gezien de hoge bezettingsgraad. De officier van justitie stelde dat de gewijzigde omstandigheden voldoende waren om overlevering toe te staan.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan, waarbij de uitspraak onherroepelijk is.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe omdat het individuele gevaar van schending van grondrechten door detentieomstandigheden is weggenomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-335542-25
Datum uitspraak: 28 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door
the Public Prosecutor at the Paris Judicial
Court, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en
overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 op [geboorteplaats] (Caribisch Nederland,
voorheen: Nederlandse Antillen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 31 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat
bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden in afwachting van een
detentiegarantie van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting 29 januari 2026
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling,
voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier
van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. W.R. Jonk.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tussenuitspraak 12 februari 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in de detentie-instelling van Fresnes als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de behandeling van de zaak aangehouden en een redelijke termijn van 60 dagen gesteld omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij een wijziging in omstandigheden het individuele gevaar van een schending van grondrechten kan worden uitgesloten.
Zitting 14 april 2026
De voorzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 12 februari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), de strafbaarheid van het feit (paragraaf 4), en over de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden vanwege de Franse detentieomstandigheden. De overwegingen uit deze tussenuitspraak in paragraaf 6 dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Op 10 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie verstrekt:
"In light of the above criteria, the Paris Public Prosecutor's Office, after considering incarceration at the Fresnes prison, has indicated that Mr. [de opgeëiste persoon] would, in principle, be assigned to Fleury-Merogis prison, which is under the jurisdiction of the Paris Interregional Prison Service, whose occupancy rate was 169.8% on January 1, 2026, according to French standards for calculating prison occupancy rates."
(…)
The area of sanitary facilities is therefore included in the floor area of the premises; it depends on technical constraints and varies between 1.4 and 1.8m².
(…)
As of 1 December 2025, the men's detention centre has 2,338 cells for adults, with 2,505 operational places, including 205 cells for the same number of operational places in the “arrivals” wing, where Mr. [de opgeëiste persoon] will be placed upon his arrival, if necessary, therefore in an individual cell.The "men's prison" wing has:- 2,026 cells with a surface area of 9 to 10m² and a theoretical capacity of 1 place,- 60 cells with a surface area of 14 to 19m² with a theoretical capacity of 3 places,- 32 cells adapted to accommodate people with reduced mobility, including 1 cell with a surface area of 11 to 12m² and a capacity of 1 place, and 31 cells with a surface area of 14 to 19m² and a capacity of 1 place,-205 cells with a surface area of 9 to 10m² with a theoretical capacity of 1 place for the “arrivals” wing.”
Op 26 maart 2026 heeft het Internationaal rechtshulpcentrum (IRC) de volgende aanvullende vragen gesteld, voor zover hier relevant:
1. When detained in one of the 2026 cells or 205 cells in the arrival area with a surface area of 9 to 10m2 with a theoretical capacity of 1 place (and sanitary area between 1,4 and 1,8 m2), can you guarantee that Mr. [de opgeëiste persoon] will not be placed in that cell with more than one other person in which case he would have at least have 7,2 m2 individual floor space in that cell when detained individually (9 m2 -/- 1,8 m2 sanitary area) or 3,6 m2 individual floor space in that cell when detained with one other cellmate?
Op 3 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende antwoorden verstrekt:
"if the prisoner requests it, or if the prison authorities order it, they will be placed in solitary confinement in a cell measuring 9 to 10 m2, which includes a toilet and a washbasin.
(…)"
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat er geen wijziging in omstandigheden heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft verwezen naar een tussenuitspraak van deze rechtbank van 3 maart 2026 [3] waarin de rechtbank aanvullende vragen heeft gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De detentiegarantie in deze zaak is bijna gelijk aan de informatie die de rechtbank in die uitspraak onvoldoende vond.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat aanvullende vragen gesteld moeten worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de praktische haalbaarheid van de garantie, gelet op de bezettingsgraad en de afmetingen van het sanitair. Overigens heeft de raadsman opgemerkt dat de aanvullende informatie erg chaotisch leest en het onduidelijk is welke informatie bij welke vragen hoort, gelet op de afwijkende data.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er een wijziging in omstandigheden heeft plaatsgevonden en dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Uit de detentiegaranties van 10 februari en 3 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon voldoende vierkante meters persoonlijke celruimte zal hebben, ook indien er een extra persoon in de cel wordt bijgeplaatst. Ten aanzien van de afwijkende data in de aanvullende informatie geldt dat dit moet worden gezien als een kennelijke verschrijving. In de Franse brief – die leidend is – wordt als datum 3 april 2026 vermeld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich in de voornoemde tussenuitspraak van 12 februari 2026 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Hiervoor is het volgende van belang.
De rechtbank merkt allereerst op dat, los van de verwarring die is ontstaan over de afwijkende data in de aanvullende informatie, de inhoud van de brieven duidelijk is.
Bij brief van 10 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aangegeven dat de opgeëiste persoon niet langer in
Fresnes prison, maar in
Fleury-Merogis Prisongedetineerd zal worden en dat de actuele bezettingsgraad daar 169,8% bedraagt. Uit de aanvullende informatie van 3 april 2026 [4] blijkt dat de opgeëiste persoon, als hij daar om verzoekt, in
solitary confinementin een eenpersoonscel geplaatst zal worden. Gelezen in samenhang met de door het IRC op 26 maart 2026 gestelde vraag begrijpt de rechtbank dat de uitvaardigende justitiële autoriteit garandeert dat de opgeëiste op zijn verzoek alleen in een eenpersoonscel zal worden geplaatst. Die cel bedraagt tussen 9 en 10 vierkante meter, terwijl het sanitair tussen de 1.4 en 1.8 vierkante meter bedraagt. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke celruimte zal hebben van tenminste vier vierkante meter, exclusief sanitair.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aanvullende informatie van 3 april 2026, het vastgestelde individuele reële gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg. Het verweer wordt verworpen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Public Prosecutor at the Paris Judicial Courtvoor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.De rechtbank houdt de datum aan die in de Franse tekst wordt vermeld. De datum 24 maart 2026 in de vertaling van de brief lijkt een kennelijke verschrijving of een vertaalfout te zijn, mede gelet op het feit dat de antwoorden op de vragen van het IRC van 26 maart niet al op 24 maart kunnen zijn ontvangen.