Eiser was in dienst bij Ymere op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die eindigde op 14 maart 2026. In de overeenkomst was opgenomen dat bij geschiktheid en voldoende formatieruimte een contract voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden. Eiser werd ziek gemeld sinds december 2025 en kreeg op 28 januari 2026 te horen dat zijn contract niet verlengd zou worden vanwege onzekerheid over zijn herstel.
Eiser vorderde in kort geding dat Ymere hem uiterlijk binnen drie dagen na uitspraak een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou aanbieden, met betaling van loon en proceskosten. Ymere verweerde zich met het standpunt dat er geen bestaande rechtsverhouding meer was en dat een dergelijke vordering niet in kort geding kan worden afgedwongen.
De kantonrechter oordeelde dat een kort gedingvordering moet voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding, die hier ontbrak omdat het contract al was geëindigd. De bepaling in de arbeidsovereenkomst was een intentieverklaring met beoordelingsvrijheid van de werkgever en geen aanbod. Het verzoek van eiser zou neerkomen op het scheppen van een nieuwe rechtsverhouding door de rechter, wat niet geschikt is voor kort geding maar voor bodemprocedure.
Daarom werd eiser niet-ontvankelijk verklaard en werden de overige vorderingen niet behandeld. De proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter A.J. Wesdorp op 15 mei 2026.