Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
13-069763-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 7, eerste lid, aanhef en onder b OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening en schorsing onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens omzetting straf Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van 212 dagen moet ondergaan. Deze straf is een omzetting van een eerdere vrijheidsbeperkende straf van 425 dagen. De verdediging stelde dat de omzetting niet volgens de wettelijke omzettingssleutel was uitgevoerd en dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was bij de omzettingsprocedure, wat een weigeringsgrond zou opleveren.

De officier van justitie betoogde dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon wel in persoon aanwezig was bij het oorspronkelijke proces en dat de Poolse rechter geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de straf, die volgens de wettelijke omzettingssleutel correct was toegepast. De rechtbank constateerde dat de vrijheidsbenemende straf niet deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling en dat het onduidelijk is of de Poolse rechter beoordelingsruimte had bij het bepalen van de duur van de straf.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de beoordelingsruimte bij de strafomzetting. Tevens oordeelde de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander en dat er geen aanleiding is de behandeling aan te houden in afwachting van een verzoek tot strafuitvoering in Nederland. Er is geen concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld.

Uitkomst: Onderzoek naar Europees aanhoudingsbevel wordt heropend en geschorst voor nadere vragen over strafomzetting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-069763-26
Datum uitspraak: 12 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2025 door
the Circuit Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
feitelijk verblijfadres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of 2 March 2022 of the District Court in Wągrowiec (Case No. II Ko 1730/21) ordering the substitutive custodial sentence of 212 days to replace the penalty of the restriction of liberty of 425 days handed down in the judgment of 15 October 2020 of the District Court in Chodzież (Case No. II K 509/19).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 212 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissing van
the District Court in Wągrowiecvan 2 maart 2022.
Deze beslissing betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de procedure die heeft geleid tot de omzettingsbeslissing van
the District Court in Wągrowiecvan 2 maart 2022. De opgeëiste persoon is buiten zijn schuld om zijn baan kwijtgeraakt, waardoor hij niet meer kon voldoen aan de verplichting om een deel van zijn inkomen af te dragen en daarmee de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Omdat de opgeëiste persoon zijn baan buiten zijn schuld om is verloren, heeft de rechter beoordelingsvrijheid gehad ten aanzien van de omzettingsbeslissing. Het gaat dus niet om een kale omzetting.
Subsidiair moet de behandeling van het EAB worden aangehouden, zodat aan de Poolse autoriteiten kan worden gevraagd of de opgeëiste persoon in verzet of hoger beroep kan gaan tegen de omzettingsbeslissing van 2 maart 2022.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis van
the District Court in Chodzieżvan 15 oktober 2020. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro doet zich dan niet voor. De omzettingsbeslissing van
the District Court in Wągrowiecvan 2 maart 2022 valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4] Uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat de Poolse rechter geen beoordelingsvrijheid heeft ten aanzien van de omzettingsbeslissing zelf. Over de beoordelingsvrijheid ten aanzien van de duur van de vrijheidsstraf hebben de Poolse autoriteiten geen aanvullende informatie verstrekt. Uit een uitspraak van deze rechtbank van 31 maart 2026 [5] blijkt echter dat op grond van artikel 65 § 1 van de
Executive Penal Codetwee dagen vrijheidsbeperkende straf gelijkstaat aan één dag vervangende hechtenis en dat de Poolse rechter verplicht is dit zo om te zetten. Dit volgt ook uit het EAB. De aanvullende informatie van 22 april 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon een vrijheidsbeperkende straf voor de duur van één jaar en zes maanden opgelegd heeft gekregen. Dat komt neer op 545 dagen. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat de opgeëiste persoon vier maanden van de vrijheidsbeperkende straf heeft voldaan. Dat staat gelijk aan 120 dagen. 545 min 120 komt uit op 425 dagen, wat ook in het EAB staat. Volgens de hiervoor genoemde omzettingsregel dat twee dagen vrijheidsbeperkende straf gelijkstaat aan één dag vervangende hechtenis, moeten de 425 dagen worden gedeeld door twee en dat komt neer op 212,5 dagen vervangende hechtenis. Dit wordt afgerond naar beneden en heeft ertoe geleid dat 212 dagen vervangende hechtenis is opgelegd. De Poolse rechter heeft daarbij dus geen beoordelingsruimte.
Subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat de omzettingsbeslissing wel moet worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot de omzettingsbeslissing van 2 maart 2022 heeft geleid.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 22 april 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon aanvankelijk bij vonnis van
the District Court in Chodzieżvan 15 oktober 2020 (met kenmerk II K 509/19) een straf van één jaar en zes maanden
restricted libertyis opgelegd in de vorm van een werkstraf van 30 uur per maand. Op verzoek van de opgeëiste persoon is de werkstraf bij beslissing van
the District Court in Wągrowiecvan 28 januari 2021 (met kenmerk II Ko 124/21) gewijzigd in een afdracht van 15% van zijn maandelijkse inkomen. De aanvullende informatie vermeldt verder dat de opgeëiste persoon vier maanden van de vrijheidsbeperkende straf heeft uitgezeten. Omdat de opgeëiste persoon zijn arbeidscontract heeft opgezegd zonder toestemming van de rechtbank, is bij beslissing van
the District Court in Wągrowiecvan
2 maart 2022 (met kenmerk II Ko 1730/21) de omzetting van de vrijheidsbenemende straf in een vervangende gevangenisstraf van 212 dagen bevolen.
Met betrekking tot het vonnis vanthe District Court in Chodzieżvan 15 oktober 2020, met kenmerk II K 509/19
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Met betrekking tot de beslissing vanthe District Court in Wągrowiecvan 2 maart 2022, met kenmerk II Ko 1730/21
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [6] Daarnaast volgt uit het arrest van het HvJ EU van 9 oktober 2025 (
Abbottly) dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien - kort gezegd - aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over beoordelingsruimte. [7] Het gaat dan om beoordelingsruimte bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een vrijheidsbenemende straf en/of om beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de vrijheidsbenemende straf.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van
the District Court in Wągrowiec, 2nd Criminal Divisionvan 22 april 2026 volgt dat de vrijheidsbenemende straf van 212 dagen geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling in het vonnis van
the District Court in Chodzieżvan 15 oktober 2020. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat “
The court found that [opgeëiste persoon] had evaded serving the sentence imposed" en dat “
the court must order the enforcement of a substitute custodial sentence if it considers that the convicted person is evading serving it”. Hieruit volgt dat de Poolse rechter geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de Poolse rechter geen beoordelingsruimte heeft gehad bij het bepalen van de duur van de vrijheidsbenemende straf.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
1.
Kunt u aangeven of bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf van 425 dagen in een vrijheidsbenemende straf van 212 dagen in deze zaak gebruik is gemaakt van de (wettelijk verplichte) omzettingssleutel dat twee dagen vrijheidsbeperkende straf gelijkstaat aan één dag vervangende hechtenis (en er derhalve geen beoordelingsruimte voor de Poolse rechter was ten aanzien van de duur van de vrijheidsbenemende straf)?
2.
Kunt u daarnaast aangeven of bij de omzetting van een vrijheidsbeperkende straf in een vrijheidsbenemende straf in zijn algemeenheid op grond van artikel 65 § 1 van deExecutive Penal Code
de omzettingssleutelmoetworden toegepast dat twee dagen vrijheidsbeperkende straf gelijkstaat aan één dag vervangende hechtenis?

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
door geweld of enige andere feitelijkheid/bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting;
eenvoudige belediging;
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon heeft verzocht dat hij de opgelegde straf in Nederland kan ondergaan. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw zo dat zij om aanhouding van de behandeling van het EAB verzoekt om de beslissing van de Poolse autoriteiten op dit verzoek van de Poolse advocaat af te wachten, zodat deze beslissing kan worden meegewogen in de uitspraak van deze rechtbank.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee geen duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Omdat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Dat de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon in Polen een verzoek heeft gedaan om in te stemmen met overname van de opgelegde straf door Nederland maakt dit niet anders. Dit verzoek van de Poolse advocaat en de daarop volgende beslissing van de Poolse autoriteiten zijn overigens ook niet relevant voor het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de overlevering. De rechtbank ziet dus geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals in paragraaf 3.1 is overwogen.
BEPAALTdat de zaak één week voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (4 juni 2026), dus op
28 mei 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.De officier van justitie heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (
5.De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3467.
6.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
7.HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (
8.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
9.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (