Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4854

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
13-054071-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 46 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Litouwse verdachte ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Litouwen voor een verdachte geboren in Kazachstan, zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De verdachte werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder moord, zware mishandeling en sabotage. De rechtbank volgde het oordeel van de Litouwse justitiële autoriteit dat de lijstfeiten terecht waren aangekruist en zag geen aanleiding om de dubbele strafbaarheid van de feiten 1, 2 en 4 te toetsen.

Voor feit 3, het verzamelen van informatie over het privéleven van burgers, stelde de rechtbank vast dat dit ook onder Nederlandse strafwetgeving valt, waardoor overlevering niet geweigerd hoeft te worden. De verdediging voerde aan dat het feit onvoldoende specifiek was omschreven en dat er onduidelijkheid bestond over de detentieomstandigheden in Litouwen.

De rechtbank onderzocht de detentieomstandigheden aan de hand van een aanvullende garantie van 20 maart 2026, waarin werd bevestigd dat de verdachte in de Vilnius Prison zal worden gedetineerd. Concrete maatregelen ter bescherming tegen geweld en vernedering werden genoemd, waardoor het algemeen reëel gevaar van onmenselijke behandeling werd weggenomen. De rechtbank wees het verweer van de raadsman af en besloot de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Litouwen toe vanwege voldoende garanties tegen onmenselijke detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-054071-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 december 2025 door
the Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania, Litouwen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1987 in Kazachstan,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 14 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen wegens problemen in het [detentieadres]. Hij is vertegenwoordigd door zijn raadsman,
mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 13 mei 2026 vanwege voormelde problemen.
Zitting van 13 mei 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB opnieuw aangevangen in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Moldavische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van de
Vilnius City District Courtvan 10 november 2025, met kenmerk No 01-1-07562-25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1, 2 en 4 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling;
sabotage.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het lijstfeit ‘sabotage’ niet in redelijkheid is aangekruist. ‘Sabotage’ kent geen equivalent in het Nederlandse recht, aangezien dat feit onder verschillende Nederlandse strafbepalingen kan vallen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist. Feit 3 valt ook onder de lijstfeiten. Het verzamelen van informatie over het privéleven van burgers moet namelijk in samenhang worden bezien met de andere in het EAB omschreven feiten, omdat het tot doel heeft de moord(en) mogelijk te maken. Daarom moet worden afgeweken van het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Oordeel van de rechtbank
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijstfeiten vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. [4] Op basis van wat de officier van justitie aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken door feit 3, anders dan in onderdeel e.II) van het EAB is vermeld, ook onder de lijstfeiten te scharen. Hetzelfde geldt voor het verweer van de raadsman als het gaat om het lijstfeit sabotage. De raadsman heeft weliswaar de vraag opgeworpen of de in het EAB genoemde feiten onder dit lijstfeit geschaard kunnen worden, maar beantwoording van die vraag wordt pas relevant indien er aanleiding bestaat te veronderstellen dat die feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. De raadsman heeft dit niet gesteld en de rechtbank ziet ook geen aanleiding om dit zelf te veronderstellen. De rechtbank zal daarom in het midden laten of en welke feiten onder het lijstfeit sabotage kunnen vallen. [5]
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1, 2 en 4 waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het verzamelen van informatie over het privéleven van burgers niet voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dit feit is onvoldoende specifiek omschreven in het EAB, omdat het onder verschillende Nederlandse strafbepalingen kan vallen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich (subsidiair, gelet op het standpunt onder punt 4.1) op het standpunt gesteld dat feit 3 - het verzamelen van informatie over het privéleven van burgers - naar Nederlands recht strafbaar is onder artikel 289 juncto Pro 295a Wetboek van Strafrecht (Sr).
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer - kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert. [6] Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. De rechtbank moet daarom nagaan of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. [7] Het verweer van de raadsman dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het verzamelen van informatie over het privéleven van burgers onder verschillende Nederlandse strafbepalingen kan vallen, gaat daarom niet op.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord.

5.Artikel 11 OLW Pro: Litouwse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft in een uitspraak van 12 december 2024 vastgesteld dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [8] Het algemeen gevaar ziet met name op de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten tot gevolg.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 26 maart 2026 een brief toegestuurd van
the Lithuanian Prison Servicevan 20 maart 2026 met daarin onder meer de volgende informatie:

1. (…) Given that detention was imposed against [opgeëiste persoon] by the District Court of Vilnius City, if the said court extends the term of his detention, [opgeëiste persoon] will be held in the Vilnius Prison. Currently, it is not possible to determine in which prison [opgeëiste persoon] would be serving his sentence of imprisonment, if he were convicted. (…)
2. Detainees are held in small cells for 2-4 persons. Detainees are not held in large residential premises. Single-occupancy cells are limited in number and are typically used to hold prisoners who need enhanced supervision or who, due to their personality, the nature of the crime and their behaviour, cannot be placed together with others in multi-occupancy residential premises.
3. Please note that detainees are guaranteed a minimum residential are of 3.6 m2 (excluding sanitary facilities).
4. Please be informed that there are around 30 prisoners per 1 officer working with prisoners.
a) the ratio of prison staff to prisoners is 1:30 and applies to all prisons in Lithuania. This applies to all days of the week throughout the day. (…)
6. In order to control violence among inmates and as far as possible, leaders of non-formal prison hierarchies, their accomplices and other prisoners who have a negative influence on others are held separately from other vulnerable inmates. Leaders of non-formal prison hierarchies are isolated on separate floors and in separate locked cells.
7. In all prisoners of Lithuania, detainees are subject to assessment on the basis of their potential for violence or the risk of violence to which they may be exposed and, depending on the risks identified, detainees are differentiated and placed in cells in such a way that ensures their safety. Prison staff continuously monitor the microclimate among detainees and apply preventive measures to avoid conflicts if they identify or receive information about any potential risk of violent conflicts among detainees, including separating detainees who may have a violent conflict, redistributing detainees in cells or isolating them. Prison staff who observe any signs of violence, including verbal and psychological violence, among detainees or convicted persons, must investigate the situation and take action to prevent violent acts.
8. Detainees are taken for a walk together with the detainees from the same cell. [opgeëiste persoon] will be placed in a cell with other detainees only after it has been established that there is no risk of conflict among theses (de rechtbank begrijpt: these) detainees and they are capable of coexisting peacefully in one cell. It should be noted that activities in prisons are organized in accordance with a pre-arranged daily routine activity plan, which eliminates any possibility for the detainees or convicted persons with a potential risk of conflict to meet in common-use areas and/or activities. The safety of [opgeëiste persoon] in prison outside the cell, i.e. in the common-use areas, in the yard, will be ensured: by officers working in assigned posts and monitoring the microclimate among detainees, and thereby identifying, in a timely manner, any possible preconditions for violent conflicts and taking measures to prevent conflicts before they arise; by monitoring the situation through video cameras installed in the majority of common-use areas of the prison; by direct communication between the contact officer and [opgeëiste persoon] and by providing him with the necessary assistance; (…).
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de detentiegarantie van 20 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in
‘the’ Vilnius Prisonzal worden gedetineerd. Er zijn echter meerdere detentie-instellingen in Vilnius. Dat blijkt ook uit de detentiegarantie, waarin wordt vermeld dat het op dit moment niet mogelijk is om aan te geven in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon zal worden geplaatst. Omdat het niet duidelijk is in welke detentie-instelling in Vilnius de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd, kan niet worden vastgesteld dat het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [9] - op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat met de individuele detentiegarantie van 20 maart 2026 het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De raadsman heeft niet onderbouwd dat er meerdere detentie-instellingen in Vilnius zijn. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie, waarin één specifieke detentie-instelling in Vilnius wordt genoemd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest
MLvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [10]
Uit de aanvullende informatie van 20 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd in
the Vilnius Prison. De rechtbank hoeft daarom alleen voor
the Vilnius Prisonde detentieomstandigheden te onderzoeken. Het betoog van de raadsman dat er meerdere detentie-instellingen in Vilnius zijn en dat niet duidelijk is in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon zal worden geplaatst, slaagt niet bij gebreke aan een onderbouwing. Weliswaar is in het rapport van
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 18 juli 2024, onder punt 27, vermeld dat
the Vilnius Prisonuit ‘
two sites’ bestaat, maar het gaat hierbij om twee vestigingen van dezelfde detentie-instelling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende informatie van 20 maart 2026, die is toegespitst op de opgeëiste persoon, het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor hem is weggenomen. In deze aanvullende informatie worden concrete maatregelen genoemd om de opgeëiste persoon te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel). Deze maatregelen zien niet alleen op het risico op geweld of een vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in zijn cel en tijdens activiteiten, maar ook op dergelijke risico’s tijdens het verblijf van de opgeëiste persoon in de gemeenschappelijke ruimtes.
Nu de verstrekte informatie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt, staat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 46 en 289 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania(Litouwen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (
5.Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam, 1 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3254.
6.Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
7.HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (
8.Rb. Amsterdam 12 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8240.
9.Rb. Amsterdam 24 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10722 en Rb. Amsterdam 3 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2245.
10.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak