Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4884

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1304586826
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 april 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte was niet persoonlijk verschenen bij de processen die leidden tot drie vonnissen, waarop vrijheidsstraffen zijn opgelegd. De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat niet vaststond dat de verdachte op de hoogte was van de processen en zijn verdedigingsrechten niet effectief kon uitoefenen.

De officier van justitie stelde dat de verdachte schriftelijke adresinstructies had ontvangen en ondertekend, waarin hij verplicht werd elke adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven. De oproepingen waren naar het door hem opgegeven adres gestuurd, maar hij had deze niet in ontvangst genomen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte daardoor stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht op persoonlijke verschijning of kennelijk onzorgvuldig was geweest met zijn bereikbaarheid, zodat geen sprake was van schending van verdedigingsrechten.

Verder stelde de rechtbank vast dat de feiten waarvoor overlevering werd verzocht, ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat geen concrete aanwijzingen bestonden dat de Poolse rechtsorde de rechten van de verdachte zou schenden. De rechtbank wees het verweer van de verdediging af, zag geen aanleiding tot het vragen van nadere informatie en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks het ontbreken van persoonlijke verschijning bij de Poolse processen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-045868-26
Datum uitspraak: 23 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 januari 2026 door
the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.W.M. Soekhai, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zittin de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt drie vonnissen:
een vonnis van
the District Court in Piłavan 10 april 2025, met kenmerk: II K 82/25 (hierna: vonnis I);
een vonnis van
the District Court in Piłavan 11 juni 2025, met kenmerk: II K 236/25 (hierna: vonnis II);
een vonnis van
the District Court in Piłavan 2 juli 2025, met kenmerk: II K 316/25 (hierna: vonnis III).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van
één jaar;
zes maanden, waarvan volgens het EAB nog vijf maanden en 28 dagen resteren;
één jaar en drie maanden, waarvan volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en 29 dagen resteren,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

ten aanzien van vonnissen I, II en III
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen processen. In het dossier ontbreekt iedere concrete aanwijzing dat de opgeëiste persoon de oproepingen heeft ontvangen. Bovendien bevinden de ondertekende instructies over de rechten en verplichtingen van de opgeëiste persoon zich niet in het dossier, zodat niet kan worden gecontroleerd of aan de opgeëiste persoon is medegedeeld dat hij zijn adres moest doorgeven aan de Poolse autoriteiten. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten effectief heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast is geen verzetgarantie gegeven. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden, zodat hierover aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kunnen worden gesteld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van toepassing van deze weigeringsgrond in verband met de adresinstructies die aan de opgeëiste persoon zijn gegeven. Uit de aanvullende informatie van 3 maart 2026 en 18 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in iedere procedure is geïnformeerd over zijn verplichting om elke adreswijziging door te geven. Ook blijkt dat hij een adres heeft opgegeven en dat de oproepingen naar dat adres zijn verstuurd. Door zich niet op het door hem opgegeven adres bereikbaar te houden, heeft de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een drietal vonnissen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die – kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 3 maart 2026 en 18 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op 6 januari 2025 inzake
II K 82/25, op 14 maart 2025 inzake
II K 316/25en op 3 april 2025 inzake
II K 236/25is verhoord als verdachte. Tijdens deze verhoren heeft hij bekentenissen afgelegd voor de feiten waarvan hij werd verdacht en heeft hij in iedere zaak een schriftelijke adresinstructie ontvangen en ondertekend. Deze instructie hield steeds in dat hij elke adreswijziging van langer dan zeven dagen door moest geven aan de Poolse autoriteiten. De oproepingen voor de processen die hebben geleid tot de vonnissen I, II en III zijn verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon heeft de oproepingen niet in ontvangst genomen en heeft deze nadien, ondanks kennisgevingen daartoe, ook niet opgehaald.
De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was, of in elk geval kon zijn, dat er procedures tegen hem liepen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie
.. Dit maakt dat hij niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding de Poolse autoriteiten om nadere informatie te vragen. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw af.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
diefstal;
mishandeling.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300, 310 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10, 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (