Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4885

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1334741325
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Warschau. De procedure betrof strafbare feiten uit 2020 en 2021, waarbij sprake was van een terugverwijzing van hoger beroep naar eerste aanleg. De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van dubbele bestraffing, ondanks overlap in de feiten.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd wegens onduidelijkheid over de adresinstructies en schending van verdedigingsrechten conform artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon meerdere adresinstructies had ontvangen en kennelijk onzorgvuldig was in het opvolgen daarvan, waardoor geen schending van verdedigingsrechten was vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, dat de opgelegde straf meer dan vier maanden bedroeg en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg stonden. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks mogelijke schending van verdedigingsrechten op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/347413-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 23 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2025 door
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 24 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 10 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen omtrent de grondslag van het EAB en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro.
Zitting 17 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. S.J. Römer en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden, omdat de door de Poolse autoriteiten verstrekte antwoorden op de in de tussenuitspraak gestelde vragen nog niet waren vertaald.
Zitting 9 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. S.J. Römer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [4] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [5]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 10 maart 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de toetsing aan artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU en over de Poolse detentieomstandigheden. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Grondslag en inhoud van het EAB

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overweging in paragraaf 3 van de tussenuitspraak van 10 maart 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In voornoemde tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat er overlap lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 10 maart 2026 de volgende vragen geformuleerd:
1. Hoe verhouden enerzijds de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I, en anderzijds de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III zich tot elkaar? Zien deze procedures op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021?
2. Indien het om hetzelfde strafbare feit gaat, hoe verhouden de in EAB I en in EAB III opgelegde gevangenisstraffen zich tot elkaar? Is er sprake van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit?
3. Indien het niet gaat om hetzelfde strafbare feit, hoe verhoudt de vernietiging van het vonnis in de procedure met kenmerk III K 1350/21 waar in de aanvullende informatie van 17 februari 2026 over wordt gesproken (‘the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23’) zich dan tot het derde feit in onderdeel e) van EAB III.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft deze vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 16 maart 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:

(…) On 12th August, 2021 this Court was supplied by the indictment act against the convict and he was alleged to commit the following offences:
- against Art. 62 item Pro 2 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 2nd December, 2020 at [straat] in Warsaw,
- against Art. 62 item Pro 2 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 2nd December, 2020 such as possessing in the vehicle BMW. The instruction with the indictment act was received by him on 20th August, 2021.
Then, on 18th July, 2022, the indictment act was submitted at the Court against the convict and he was alleged to commit the offence against Art. 62 item Pro 1 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 26th August, 2021; the indictment act with the instruction was received by the convict in person on 27th July, 2022.
These cases were combined into one procedure and the case gained the reference number III K 1350/21. On 21st June, 2023, the sentence was issued and the convict was brought guilty to commit the alleged offences, and the Court admitted that two offences committed on 2nd December, 2020 in two different places constituted one offence against Art. 62 item Pro 2 of Law upon counteraction against drug addiction. The convict sentenced by this judgement was also brought guilty to commit the offence on 26th August, 2021. Considering the submitted appeal by the prosecutor the appeal court - the Regional Court in Warsaw, by virtue of the judgement of 12th October, 2023, case reference number X Ka 867 /23, reversed the sentence regarding the offence committed on 26th.
August, 2021 and it passed the case for its re-examination, and regarding the offence of 2nd December, 2020 it kept the decision enforced. With regard to the reversal in relation to the offence of 26th August, 2021, the case was registered under a new case reference number - IV K 1464/23 and on 22nd February, 2024, the sentence was issued by which the convict was brought guilty to commit the offence of 26th August, 2021 against Art. 62 item Pro 1 of Law upon counteraction against drug addiction.
Summing up, the offence under the case ref. no III K 1350/21 was committed on 2nd December, 2020 against Art. 62 item Pro 2 of Law upon counteraction against drug addiction, and the offence under the case ref. no IV K 1464/23 was committed on 26th August, 2021 against Art. 62 item Pro 1 of Law upon counteraction against drug addiction.(…)”
In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 april 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:
“We wish to inform again that regarding the case ref. no III K 1350/21, VIII Kap 249/24 the person was sentenced for the offence committed on 2nd December, 2020.
And regarding the case ref. no IV K 1464/23 VIII Kop 149/25 the person was sentenced for the offence committed on 26th August, 2021, it means a few months after the offence of the case ref. no III K 1350/21. It's true, in the judgement in the case ref. no IV K 1464/23 there occurred the improper calculation of the detention period that relates to the case III K 1350/21 that should have been executed. Regarding this issue this Court shall prepare a supplementary content of the judgements in both cases, and - at the same time - this information shall be delivered to the Regional Court [ Sąd Okręgowy ] in order to make a modification of the EAW.(…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd.
Uit de aanvullende informatie van 3 april 2026 volgt niet duidelijk wat het strafrestant is. De stukken zijn daarom niet genoegzaam. Hierover kunnen geen nadere meer worden gesteld omdat de beslistermijn is verstreken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verwezen naar het ingenomen standpunt op de zitting op 24 februari 2025. Toen is aangevoerd dat naar aanleiding van het hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21, het feit van 26 augustus 2021 is terugverwezen naar de rechtbank in eerste aanleg. Vervolgens is de opgeëiste persoon voor dit feit veroordeeld in de zaak met kenmerk IV K 1464/23. Dit vormt geen beletsel voor de overlevering. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is opgelegd en dat de vraag naar het strafrestant een executie-aangelegenheid is die in Polen aan de orde dient te komen.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Warsaw-Wola, Warsaw (Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie) van 22 februari 2024 met kenmerk IV K 1464/23.
De rechtbank stelt vast dat de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I en de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III betrekking hebben op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021, maar dat geen sprake is van dubbele bestraffing.
Uit de aanvullende informatie van 16 maart 2026 leidt de rechtbank namelijk af dat bij het arrest met kenmerk X Ka 867/23 het vonnis met kenmerk III 1350/21 is vernietigd met betrekking tot het feit van 26 augustus 2021 en in stand is gelaten ten aanzien van het eerste en tweede feit in onderdeel e) van EAB III. De terugverwezen zaak met betrekking tot het feit van 26 augustus 2021 is vervolgens geregistreerd onder een nieuw zaaknummer: IV K 1464/23. Dit laatstgenoemde kenmerk betreft de grondslag van EAB I zoals vermeld in onderdeel b) van EAB I.
Voor de resterende gevangenisstraf geldt het volgende. Het onderhavige overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis met kenmerk IV K 1464/23. Het berekenen van het strafrestant is een executie-aangelegenheid. Nu niet is gebleken dat geen strafrestant meer resteert, is voor de beoordeling van het overleveringsverzoek alleen relevant of minimaal vier maanden gevangenisstraf is opgelegd. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overweging in paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 10 maart 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Het IRC heeft de door de rechtbank in de tussenuitspraak van 10 maart 2026 geformuleerde vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 16 maart 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:

Regarding the offence of 26th August, 2021 he was interrogated as a suspect on 28th August, 2021 and he received the instruction about his rights and obligations, including any change of his residence on that very day. It's true the Court failed to provide the date when the convict had been interrogated in its letters and when he had received the instruction. It only showed the instructions that he had received regarding the offence of 2nd December, 2020.
Regarding the offence under the case ref. no Ill K 350/21 the appeal was submitted by the Prosecutor and the counsel of defence of another convict. The convict [de opgeëiste persoon] submitted to prepare a justification in written of the judgement but despite being duly called to supplement the motion regarding the formal shortages, he failed to do it in due time. The regulation regarding the shortages was receipted by him in person on 25th July, 2023.
Considering the information about the instructions of the court proceedings were received by him on 20th August, 2021 it relates to the offence of 2nd December, 2020 that he had received still before this case was supplemented by the offence of 26th August, 2021 that he receipted the instruction on 27th July, 2022.
The convict was not represented in the course of the entire court proceedings by any counsel of defence of his own choice or appointed ex officio, either; the convict did not appoint any counsel
In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 april 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:
“(…)Regarding the instructions that the convict received in the course of the court proceedings, they related to the entire court proceedings, the instructions related also to the judgement issuing.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat het nog altijd onduidelijk is of een adresinstructie is gegeven voor de procedure met kenmerk IV K 1464/23.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van toepassing daarvan in verband met de gegeven adresinstructie. Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 en 17 maart 2026 blijkt dat de adresinstructies die de opgeëiste persoon heeft ontvangen golden voor “
the whole court proceedings” en daarmee dus ook voor de procedure met kenmerk IV K 1464/23. Een expliciete omschrijving dat de adresinstructie ook geldt in het geval van een terugverwijzing naar de rechtbank in eerste aanleg is niet vereist. Artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Zoals de rechtbank hiervoor in paragraaf 3 heeft overwogen, heeft de procedure met kenmerk IV K 1464/23 (EAB I) plaatsgevonden na een terugverwijzing voor het feit dat is gepleegd op 26 augustus 2021 naar aanleiding van de procedure in hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21 (EAB III).
De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis (met kenmerk IV K 1464/23) terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in de tussenuitspraak van 10 maart 2026, blijkt uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 dat de opgeëiste persoon op 4 december 2020 en 20 augustus 2021 een adresinstructie heeft ontvangen in de procedure met kenmerk III K 1350/21.
De rechtbank stelt aan de hand van de aanvullende informatie van 16 maart 2026 vast dat de opgeëiste persoon voor het strafbare feit van 26 augustus 2021 als verdachte is verhoord op 28 augustus 2021. De opgeëiste persoon heeft tijdens dat verhoor opnieuw een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. In de aanvullende informatie van 3 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigd dat alle adresinstructies die de opgeëiste persoon heeft ontvangen golden voor “
the entire court proceedings”. De rechtbank leidt hieruit af dat de adresinstructie die de opgeëiste persoon voor het feit van 26 augustus 2021 heeft ontvangen eveneens gold voor het hoger beroep alsmede, na terugverwijzing, de daaropvolgende procedure met kenmerk IV K 1464/23. Uit de aanvullende informatie van 17 februari 2026 blijkt dat officiële correspondentie over de procedure met kenmerk IV K 1464/23 is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven Poolse adres. De opgeëiste persoon heeft de oproepingen echter niet afgehaald.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen in hoger beroep (met kenmerk X Ka 867/23) en, na terugverwijzing, in eerste aanleg (met kenmerk IV K 1464/23
)op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de officiële correspondentie. Hij heeft zich, terwijl hij op de hoogte was van de lopende strafprocedure, onvoldoende geïnformeerd over het verdere verloop daarvan. Overlevering levert daarom geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

5.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Zie artikel 22 OLW Pro.
5.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.