De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit voor de overlevering van een in Nederland gedetineerde Poolse staatsburger. De procedure startte op 24 februari 2026 en kende meerdere zittingen, waarbij de rechtbank de wettelijke beslistermijn verlengde en het onderzoek tijdelijk schorste om gelijktijdige afdoening met gerelateerde zaken mogelijk te maken.
Tijdens de zittingen werd vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Poolse nationaliteit bezit. De rechtbank herhaalde in haar tussenuitspraak van 10 maart 2026 haar overwegingen over de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van het feit, de toetsing aan het Handvest van de grondrechten van de EU en de detentieomstandigheden in Polen.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet, dat er geen weigeringsgronden zijn en dat geen omstandigheden aanwezig zijn die de overlevering zouden verbieden. Hoewel de wettelijke beslistermijn was verstreken, bleef de verplichting tot beslissing bestaan, maar zonder grondslag voor verdere gevangenneming.
Op 23 april 2026 werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, waarmee de procedure definitief werd afgesloten.