Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4895

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1310584425
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks afwezigheid verdachte in hoger beroep

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 april 2026 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. De verdachte was gedetineerd in Nederland en werd verdacht van diefstal met geweld, waarvoor een gevangenisstraf van twee jaar en vijf maanden was opgelegd.

De verdachte was wel aanwezig bij de procedure in eerste aanleg en werd bijgestaan door een advocaat. In hoger beroep was hij niet persoonlijk aanwezig, maar zijn advocaat wel. De rechtbank stelde vast dat de verdachte op de hoogte was van de hogerberoepsprocedure en dat hij stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht om persoonlijk aanwezig te zijn, of kennelijk onzorgvuldig was geweest in het onderhouden van contact.

De rechtbank oordeelde dat dit geen schending van de verdedigingsrechten opleverde en dat de overlevering niet kon worden geweigerd op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet. Ook werd vastgesteld dat er geen concreet gevaar was voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De procedure werd gevoerd met aanwezigheid van de verdachte, zijn raadsman en een tolk, en de rechtbank verlengde de beslistermijn en beval gevangenhouding voor sluiting van het onderzoek.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks zijn afwezigheid in hoger beroep, omdat hij op de hoogte was en zijn advocaat aanwezig was.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-105844-25
Datum uitspraak: 23 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2024 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Kolobrzeg, Polen, van 23 januari 2023, met kenmerk II K 379/21.
Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 en 7 april 2026 blijkt dat er hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis. Op 24 mei 2023 heeft
the District Court in Koszalinarrest gewezen met kenmerk VKa 213/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft, samengevat, betoogd dat niet duidelijk is of de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro getoetst moet worden. Hij heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende informatie op te vragen om vast te kunnen stellen of in hoger beroep daadwerkelijk is geoordeeld over de schuld en/of de straf van de opgeëiste persoon. .Bovendien is onduidelijk of de opgeëiste persoon correct is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep en of er sprake was van een gemachtigd advocaat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet aan de overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon was in eerste aanleg aanwezig met een advocaat. Hij heeft zelf hierna gevraagd om een uitgewerkt vonnis op schrift. De advocaat heeft namens opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Hoewel de opgeëiste persoon zelf niet aanwezig was op deze zitting, was zijn advocaat wel aanwezig
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg en toen werd bijgestaan door een advocaat. Uit deze informatie volgt verder dat de opgeëiste persoon tijdig om een schriftelijke motivering van het vonnis in eerste aanleg heeft verzocht, dat zijn advocaat hoger beroep heeft ingesteld en dat zijn advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding in de onderhavige overleveringsprocedure gesteld dat er een hoger beroep is geweest waarbij de raadsman aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft daarna verklaard dat hij zijn advocaat had gevraagd bij alle zaken aanwezig te zijn en dat zijn advocaat ook bij alle zaken aanwezig was. Uit de aanvullende informatie van 7 april 2026 volgt daarnaast dat de opgeëiste persoon de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep op 24 april 2023 persoonlijk heeft ontvangen op zijn adres in [plaats] . Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om hieraan te twijfelen. Op basis van deze omstandigheden komt rechtbank tot de conclusie dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Het had daarom op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de beroepsinstantie over de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat overlevering geen schending oplevert van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (