Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5774

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
26-008922
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 lid 6 SvArt. 183 lid 3 SvArt. 185 SvArt. 186 lid 6 SvArt. 238 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen aanhouding beslissing rechter-commissaris in witwasonderzoek

In deze strafzaak betreft het een bezwaar van de verdachte tegen een tussenbeslissing van de rechter-commissaris die zijn beslissing op verzoeken tot het horen van getuigen heeft aangehouden. De rechter-commissaris stelde dat eerst de verdachte gehoord moet worden om diens proceshouding helder te krijgen voordat inhoudelijk op de verzoeken kan worden beslist.

De verdediging betoogde dat deze aanhouding neerkomt op een weigering en daarmee onrechtmatig is, onder meer strijdig met artikel 6 EVRM Pro. Het Openbaar Ministerie stelde dat er geen sprake is van een weigering, maar van een rechtmatige volgordelijkheid in het onderzoek. De rechtbank oordeelt dat de rechter-commissaris niet heeft geweigerd, maar slechts de beslissing heeft aangehouden, en dat dit niet in strijd is met het strafprocesrecht of het EVRM.

De rechtbank verklaart het bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Tevens wijst zij het subsidiaire verzoek om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de toepassing van artikel 238 lid 2 Sv Pro af. De rechtbank benadrukt dat de rechter-commissaris bevoegd blijft om regie te voeren en onderzoekshandelingen te verrichten, ook na kennisgeving van dagvaarding, zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen.

De zaak betreft een witwasonderzoek dat in november 2021 is gestart en waarbij het Openbaar Ministerie in april 2025 een voornemen tot dagvaarden heeft kenbaar gemaakt. De procedure is nog in de voorfase en de dagvaarding zal pas in de toekomst worden betekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar van de verdachte niet-ontvankelijk omdat geen sprake is van een weigering van de rechter-commissaris.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 81-337977-21
raadkamernummer : 26-008922
datum : 9 juni 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[de bezwaarde] ,

gevestigd [adres] ,
hierna te noemen: de bezwaarde.

Feiten

Namens de bezwaarde heeft mr. Bakker, mede namens de andere raadslieden mrs. D.R. Doorenbos, mr. S.L. Honig en J. Winkels op 5 februari 2026 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten het horen van 17 personen als getuigen.
De rechter-commissaris heeft bij (tussen)beslissing van 12 maart 2026 zijn beslissing op het verzoek aangehouden en – kort gezegd – bepaald dat, voordat een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken kan plaatsvinden, bezwaarde dient te worden gehoord zodat het inhoudelijke standpunt dan wel proceshouding van de bezwaarde helder is.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 26 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 26 mei 2026 het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaten van de bezwaarde, mr. D.R. Doorenbos, mr. S.L. Honig, mr. M. Bakker en de officieren van justitie mr. M. Lambregts en mr. S. Leeman op zitting gehoord. Ook waren aanwezig mr. J.C.B. Gieling en mr. J. Winkels.
Tevens is namens de bezwaarde verschenen mevrouw [persoon 1] , hoofd legal en gemachtigde van de bezwaarde, en haar collega mevrouw [persoon 2] .

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de (tussen)beslissing van de rechter-commissaris van 12 maart 2026.
Primair heeft de verdediging verzocht:
- het bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- de (tussen)beslissing van de RC van 12 maart 2026 te vernietigen;
- te oordelen dat artikel 238 lid 2 Sv Pro in dit geval niet van toepassing is;
- te bevestigen dat de rechter-commissaris bevoegd is inhoudelijk op de ingediende
verzoeken te beslissen;
- de verzoeken van de verdediging toe te wijzen en de rechter-commissaris op
te dragen deze onderzoekshandelingen uit te voeren.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, indien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het bezwaar van de verdediging niet-ontvankelijk of ongegrond is, prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over de toepassing van artikel 238 lid 2 Sv Pro. Die vragen betreffen in ieder geval de vraag of de officier van justitie een kennisgeving ex artikel 238 lid 2 Sv Pro mag doen terwijl het onderzoek klaarblijkelijk nog (lang) niet is afgerond -zelfs nog niet eens is begonnen-, met de uitgesproken bedoeling de verdediging haar verzoeken ten aanzien van het onderzoek op een openbare terechtzitting kenbaar te laten maken in plaats van bij de rechter-commissaris op de wijze zoals voorzien in artikel 182 Sv Pro.
In raadkamer heeft het pleidooi van de verdediging zich vooral gericht op de vraag in hoeverre toepassing dient te worden gegeven aan artikel 238 lid 2 Sv Pro, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:505). De verdediging acht de kennisgeving tot dagvaarden van het Openbaar Ministerie prematuur en hiermee is een blokkade opgeworpen tot het in de voorfase indienen van verzoeken door de verdediging. Daarmee heeft het Openbaar Ministerie de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de bezwaarde.
Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat van enig weigeren in de zin van artikel 182 lid 6 Sv Pro geen sprake is. Aan de eventuele toewijzing van verzoeken verbindt de rechter-commissaris in zijn (tussen)beslissing geen voorwaarde, wel verlangt hij een bepaalde volgordelijkheid: eerst dient het inhoudelijke standpunt dan wel de proceshouding van de bezwaarde helder te worden, daarna kan aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken worden toegekomen. Die volgordelijkheid is rechtens en in lijn met de spelbepalende rol die de rechter-commissaris toekomt als onafhankelijke toezichthouder op en kwaliteitsbewaker van het lopende opsporingsonderzoek. Eerst nadat de rechter-commissaris is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de door de bezwaarde gewenste verzoeken, ligt voor de bezwaarde bij weigering daarvan de weg van artikel 182 lid 6 Sv Pro open, niet eerder.
Ten tweede is het bezwaar niet-ontvankelijk gelet op de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:10995). Daaruit volgt -in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad- dat na kennisgeving ex artikel 238 lid 2 Sv Pro de rechter-commissaris niet langer bevoegd is op ingediende verzoeken te beslissen.
Overigens stelt het Openbaar Ministerie dat het zich in gezamenlijkheid met de rechter-
commissaris en de verdediging wil blijven inspannen voor de voortgang van
een debat over door de verdediging gewenst tegenonderzoek en, afhankelijk van
de standpunten daarover, de eventuele uitvoering daarvan.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard, omdat het bezwaar prematuur is gedaan, omdat de proceshouding van verdachte nog niet helder is.
Meer subsidiair meent het Openbaar Ministerie dat de verzoeken moeten worden afgewezen, omdat op dit moment niet duidelijk is dat het horen van de verzochte getuigen van belang is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348/350 Sv.

Beoordeling

Verloop onderzoek
Op 11 november 2021 is een strafrechtelijk onderzoek tegen de bezwaarde gestart (onderzoek Hambleton). Het vermoeden is dat de bezwaarde zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (hierna: Wwft). De bezwaarde en het Openbaar Ministerie konden het niet eens worden over een schikking, waarna het Openbaar Ministerie heeft besloten tot gerechtelijke afdoening. Op 9 april 2025 heeft het Openbaar Ministerie een voornemen tot dagvaarden van de bezwaarde uitgebracht.
Op 17 april 2025 heeft het Openbaar Ministerie, via de verdediging, de bezwaarde schriftelijk uitgenodigd om bij wijze van verdachtenverhoor de bij de uitnodiging gevoegde vragen uiterlijk 23 mei 2025 schriftelijk te beantwoorden. Daarbij is door het Openbaar Ministerie aangegeven dat de bezwaarde niet tot antwoorden verplicht is. Op deze uitnodiging is niet gereageerd en de vragen zijn niet beantwoord. Ook is de bezwaarde (nog) niet door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) gehoord.
Het Openbaar Ministerie heeft een concept-tenlastelegging van 18 december 2025 met de rechter-commissaris en de verdediging gedeeld. Op 18 december 2025 heeft tevens een regiebijeenkomst zoals bedoeld in artikel 185 Sv Pro plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft de verdediging aangegeven op basis van de concept-tenlastelegging geen verzoeken ten aanzien van het onderzoek in te kunnen dienen.
Op 5 februari 2026 hebben de raadslieden van de bezwaarde op grond van artikel 182 Sv Pro bij de rechter-commissaris verzocht 17 personen als getuigen te horen.
Op 12 maart 2026 heeft de rechter-commissaris zijn beslissing op de verzoeken aangehouden en bepaald dat, voordat een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken kan plaatsvinden, de bezwaarde met betrekking tot de verdenkingen dient te worden gehoord zodat het inhoudelijke standpunt dan wel de proceshouding van de bezwaarde helder is.
De zaak is op dit moment nog niet bij de rechtbank aangebracht. Er is wel een voorlopig procesdossier uit 2024 dat door het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris en aan de verdediging is verstrekt. Het vroegste moment waarop de daartoe strekkende dagvaarding betekend zal worden ligt nog maanden in de toekomst. Die tijd zal volgens het Openbaar Ministerie benut worden om het dossier zoveel mogelijk af te ronden.
Juridisch kader
In haar arrest van 3 maart 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een redelijke uitleg van artikel 238 lid 2 Sv Pro met zich meebrengt dat na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, de rechter-commissaris bevoegd is tot voortzetting van zijn op grond van de artikelen 181 Sv tot en met 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in de artikelen 181 Sv tot en met 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.
Dientengevolge staat volgens de Hoge Raad tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van artikel 183 lid 3 Sv Pro open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van artikel 446 lid 1 Sv Pro.
Overwegingen rechtbank
De procedure van artikel 182 lid 6 Sv Pro biedt de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een weigering van de rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten. De vraag is of in dit geval sprake is van een weigering als bedoeld in artikel 182 lid 6 Sv Pro. De rechter-commissaris heeft zijn beslissing op de verzoeken aangehouden, omdat hij voor een goede inhoudelijke beoordeling duidelijkheid over de procespositie van de bezwaarde nodig vindt.
De bezwaarde heeft aangevoerd dat dat een onaanvaardbare voorwaarde is -in strijd met het strafprocesrecht en artikel 6 EVRM Pro- die maakt dat de rechter-commissaris in feite heeft geweigerd de gevraagde onderzoekshandelingen te verrichten. Namens de bezwaarde is in deze procedure gesteld dat haar procespositie reeds blijkt uit de stukken van haar advocaten en er dus niet een situatie aan de orde is dat van haar wordt verlangd dat zij tegen haar zin haar procespositie “ten genoege van de opsporingsautoriteiten” helder moet maken.
De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris de verzoeken van de verdediging niet heeft geweigerd, maar ook niet heeft toegewezen. Er ligt simpelweg nog geen inhoudelijke beslissing op de verzoeken. Deze beslissing is immers aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat van een onaanvaardbare voorwaarde in dit geval geen sprake is. Het Openbaar Ministerie heeft de bezwaarde schriftelijk uitgenodigd voor een ‘verhoor’ (het beantwoorden van meegezonden schriftelijke vragen), waarbij expliciet is aangegeven dat, voor zover de bezwaarde niet wil verklaren, zij zich op haar zwijgrecht kan beroepen. Op deze uitnodiging is nog niet gereageerd. De rechter-commissaris heeft overwogen dat, om te kunnen beoordelen of de verzochte personen voor toewijzing om als getuigen gehoord te worden in aanmerking komen, als startpunt een inhoudelijk standpunt van de bezwaarde dan wel haar proceshouding met betrekking tot de verdenkingen bekend moet zijn.
Deze wijze van regievoering door de rechter-commissaris is niet in strijd met het strafprocesrecht of met artikel 6 EVRM Pro. Omdat de rechter-commissaris nog niet inhoudelijk op de verzoeken heeft beslist, is geen sprake van een weigering zoals bedoeld in artikel 182 lid 6 Sv Pro. Dat betekent dat de bezwaarde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het bezwaarschrift.
De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de verdediging om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over de toepassing van artikel 238 lid 2 Sv Pro afwijzen. Dit is voor de beantwoording van de vragen in het kader van de onderhavige procedure niet noodzakelijk.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ziet dat een impasse in de voortgang van het onderzoek kan ontstaan, als de rechter-commissaris zich –vanwege de uitgestuurde kennisgeving ex artikel 238 lid 2 Sv Pro– in het geheel niet meer bevoegd zou achten regie te voeren en onderzoekshandelingen te verrichten. Daartegenover staat vast dat het doel van de wet is om zorg te dragen voor een zo snel mogelijke, doelmatige en efficiënte voorfase van de strafzaak. Met dat doel voor ogen ziet de rechtbank ruimte voor de door de rechter-commissaris ingeslagen weg om zich in te blijven spannen om in overleg met het Openbaar Ministerie en de verdediging daar waar mogelijk regie te voeren en onderzoekshandelingen te verrichten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de bezwaarde niet-ontvankelijk in haar bezwaar.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. P.K. Oosterling - van der Maarel, voorzitter,
mr. M.A.E. Somsen en mr. C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.