Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6140

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-051311-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon verdacht van drugshandel en het weigeren van toegangscodes van een mobiele telefoon tijdens detentie.

Tijdens de procedure werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en is uitgebreid ingegaan op de strafbaarheid van de feiten. Drie feiten vielen onder de lijstfeiten waarvoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden getoetst. Het vierde feit, het weigeren van toegangscodes, is niet strafbaar onder Nederlands recht, maar de rechtbank besloot af te zien van de facultatieve weigeringsgrond omdat het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde.

De rechtbank beoordeelde ook de detentieomstandigheden in Frankrijk, waarbij een algemeen risico op schending van grondrechten werd aangenomen vanwege overbevolking. Echter, op basis van een aanvullende garantie van 20 mei 2026 over de detentie in het Beauvais Penitentiary Centre, waarbij onder meer individuele huisvesting en voldoende leefruimte werden gegarandeerd, concludeerde de rechtbank dat het reële gevaar was weggenomen.

De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman dat de garantie onvoldoende was en stond de overlevering toe. De uitspraak is onherroepelijk en de overlevering wordt toegestaan voor de strafbare feiten zoals omschreven in het EAB.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel en de gegeven detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-051311-26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2026 door de Procureur der Republiek bij de Rechtbank van Amiens, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Frankrijk),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 16 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat in Venlo, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 13 mei 2026 om informatie over de Franse detentieomstandigheden met het oog op de toetsing aan artikel 11 OLW Pro af te wachten.
Zitting van 13 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen wegens het uitblijven van het transport naar de rechtbank. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J.B.J.G.M. Schyns, is wel verschenen. De raadsman heeft verklaard niet door de opgeëiste persoon gemachtigd te zijn om hem in zijn afwezigheid ter zitting te verdedigen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB daarom aangehouden tot de zitting van 2 juni 2026. De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting van 2 juni 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.B.J.G.M. Schyns, en door een tolk in de Franse taal.
Ook heeft de rechtbank op vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn achternaam, geboortejaar en geboorteplaats juist zijn, maar dat zijn voornaam enkel [voornaam 1] – en niet [voornaam 2] – is. De rechtbank heeft aan de hand van het dossier en de daarin aanwezige ID-staat met foto van de opgeëiste persoon vastgesteld dat de persoon die is verschenen de opgeëiste persoon is.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van de rechtbank van Amiens van 27 januari 2026, met parketnummer 22177000001 en dossiernummer JICABJI222000012.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst drie van de vier strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De opgeëiste persoon wordt er in Frankrijk ook van verdacht dat hij tijdens zijn hechtenis op 24 juni 2022 te Abbeville, Frankrijk, heeft geweigerd om de toegangscodes van zijn mobiele telefoon, die tijdens de huiszoeking in beslag was genomen, vrij te geven. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft dit feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Het oordeel van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de dubbele strafbaarheid van dit feit.
Het oordeel van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet dubbel strafbaar is, zodat de weigeringsgrond van artikel 7, tweede lid, OLW van toepassing is. Echter moet worden afgezien van deze facultatieve weigeringsgrond, omdat het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is begaan in Frankrijk, door een onderdaan van Frankrijk, en het wordt vervolgd door de Franse autoriteiten.
Het oordeel van de rechtbank
Het weigeren om de toegangscodes van de mobiele telefoon vrij te geven kan naar Nederlands recht niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd. Dit brengt met zich mee dat de overlevering op grond van artikel 7, tweede lid onder b, OLW geweigerd kan worden.
Artikel 7, tweede lid, onder b, OLW betreft een facultatieve weigeringsgrond. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om op de door de officier van justitie aangevoerde gronden van de weigering af te zien.

5.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. [4] Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor de opgeëiste persoon geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.
Bij e-mail van 20 mei 2026 heeft de
Substitut du Procureur de la République au TJ AMIENS– uiteindelijk – onder meer de volgende informatie gegeven over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk:
“(…) Upon further review, and in light of the detailed analysis conducted by the Amsterdam court in its questions of 1 May 2026, I consider that Beauvais Penitentiary Centre offers objectively better detention conditions than Arras prison with respect to the Dorobantu criteria (…)
(…) Guarantees we are in a position to provide regarding Beauvais Penitentiary Centre:
1. No mattress on the floor: We confirm that no detainee at Beauvais Penitentiary Centre is required to sleep on a mattress on the floor (This information was provided by the French Ministry of Justice — Direction de l'Administration Pénitentiaire (DAP) — as of 1 May 2026, and has been subsequently confirmed today by my direct contact with the Beauvais Penitentiary Centre.)
2. Arrival unit: Upon arrival, [de opgeëiste persoon] will be placed in the quartier arrivants (arrival unit), which has 24 dedicated individual places. This unit systematically provides individual housing during the initial assessment period (minimum one week), in accordance with standard French prison regulations.3. Minimum personal space: Given the cell characteristics of Beauvais (smallest cells: 8–9 m², minus 1.8 m² sanitary area = 6.2 m² net; minimum space per person if shared with one cellmate: 3.1 m²), we can confirm that, even in the most unfavourable occupancy scenario in the smallest cells, the 3 m² minimum threshold set in Dorobantu (§ 73) is met.
4. No floor-level sleeping: The 138% occupancy rate reflects the assignment of detainees to cells beyond their theoretical capacity, but this does not result in floor-level sleeping arrangements at this facility. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie van 20 mei 2026 niet volstaat om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, omdat de garantie dat de opgeëiste persoon te allen tijde over ten minste 3 m² persoonlijke leefruimte zal beschikken in strijd is met eerdere verklaringen dat het afgeven van een dergelijke garantie niet mogelijk is. Hierdoor is er volgens de raadsman sprake van tegenstrijdige informatie. De raadsman verzoekt de rechtbank daarom om de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW Pro.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet namelijk worden uitgaan van de geboden garantie van 20 mei 2026, die het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Franse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 20 mei 2026.
Uit de aanvullende informatie van 20 mei 2026 blijkt dat - na een heroverweging door de Franse autoriteiten - is besloten dat
Beauvais Penitentiary Centrebetere detentieomstandigheden biedt voor de opgeëiste persoon dan
Arras Prison. Na deze vaststelling worden er meerdere garanties specifiek omschreven die in
Beauvais Penitentiary Centregelden voor opgeëiste persoon. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in
Beauvais Penitentiary Centrewordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, wordt gegarandeerd. Ook wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet op de grond zal hoeven slapen.
De omstandigheid dat in een eerdere detentiegarantie van 12 mei 2026 is vermeld dat in
Beauvais Penitentiary Centresommige matrassen op de grond liggen, doet daar niet aan af, omdat de rechtbank haar oordeel baseert op de garanties die zijn afgegeven in de meest recente detentiegarantie. Aangezien in de meest recente detentiegarantie van 20 mei 2026 wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet op een matras op de grond zal hoeven slapen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie in het kader van de afgegeven garantie.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Procureur der Republiek bij de Rechtbank van Amiens (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.