Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
Samenvatting en conclusie
Procesverloop
15 september 2021 heeft het college de bezwaren van eisers tegen alle aan haar gerichte besluiten ongegrond verklaard en de bezwaren van eisers tegen de aan andere reders verleende vergunningen niet-ontvankelijk verklaard.
Achtergrond
Het college heeft in het verleden exploitatievergunningen voor de passagiersvaart voor onbepaalde tijd verleend. Daarbij was het aantal verleende vergunningen gemaximeerd. Tot 2013 werden door middel van uitgifterondes alleen nieuwe exploitatievergunningen verleend als het college van mening was dat de drukte op het water dat toestond. In 2016 [1] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn [2] op deze vergunningen van toepassing is en dat de geldigheidsduur van vergunningen voor passagiersvaart niet onbeperkt mag zijn als het aantal vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Omdat het college het aantal exploitatievergunningen wilde maximeren, heeft het beleid vastgesteld voor de passagiersvaart op de Amsterdamse binnenwateren. Dat beleid is neergelegd in de Nota Varen deel 1 van maart 2019. Hierin is onder meer een volumebeleid voor de passagiersvaart opgenomen, waarbij het maximum aantal exploitatievergunningen is vastgesteld op 550 (hierna ook: het vergunningenplafond). In de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) en in hoofdstuk 3 van de Regeling op het Binnenwater 2020 (Rob) is hier verder invulling aan gegeven. Met de Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart heeft het college bepaald hoe de wijziging van vergunningen van onbepaalde naar bepaalde tijd in zijn werk zal gaan. In 2020 heeft het college op basis van deze regelgeving de op dat moment geldende exploitatievergunningen omgezet naar vergunningen voor bepaalde tijd. Een aantal van die vergunningen kreeg een geldigheidsduur tot 1 maart 2024.
De Afdeling heeft op 25 september 2024 geoordeeld [3] over de rechtmatigheid van de omzetting van de vergunningen van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Het college mocht een volumebeleid vaststellen en de geldigheidsduur van de exploitatievergunningen wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn. De wijze waarop het college dat met het huidige volumebeleid heeft gedaan, voldoet volgens de Afdeling echter niet aan die richtlijn omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gevoerde beleid geschikt en noodzakelijk is om het doel (het maximeren van het aantal passagiersvaartuigen) te bereiken. De Afdeling heeft alle omzettingsbesluiten herroepen. Dit had tot gevolg dat de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen herleefden. Het college heeft diezelfde dag een vergunningstop (moratorium) voor de duur van één jaar afgekondigd. De duur van de vergunningstop is nadien verlengd tot 1 april 2027.
Omvang van het geding
1 maart 2024 zouden aflopen, almede nieuwe toetreders, een aanvraag indienen voor een exploitatievergunning voor bepaalde tijd. Deze exploitatievergunning gaat in per 1 maart 2024. In deze uitgifteronde 2024 waren 155 exploitatievergunningen beschikbaar.
25 september 2024 is de looptijd van de toegekende vergunningen gewijzigd van bepaalde in onbepaalde tijd waardoor er inmiddels 728 vaartuigen zijn met een exploitatievergunning.
- de afgewezen aanvragen om een exploitatievergunning op grond van rangorde,
- de toegewezen aanvragen om een exploitatievergunning van andere reders
- het welstandsbeleid.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat eisers gronden hebben aangevoerd die zien op welstand, maar dat geen van de voorliggende aanvragen van eisers zijn afgewezen wegens strijd met de welstandseisen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is van procesbelang.
Eisers voeren gronden aan tegen het Welstandsbeleid Passagiersvaart Amsterdam 2019 (het Welstandsbeleid).
Vergunningen van andere reders
Conclusie en gevolgen
1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting [12] , met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mrs.C. Simonis en N. van der Kroft, griffiers.