Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6512

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
AMS 21 / 5679 en AMS 23 / 2726 en AMS 23 / 2728 en AMS 23 / 3080 en AMS 23 / 3083
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 6:19 AwbArt. 10 Dienstenrichtlijn 2006/123/EGArtikel 3.1.2 RobArtikel 3.2.1 Rob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten rondvaartboten exploitatievergunningen 2024 wegens motiveringsgebreken volumebeleid en welstandscriteria

De rechtbank Amsterdam behandelt meerdere bestuursrechtelijke zaken waarin eisers bezwaar maken tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over de uitgifte van exploitatievergunningen voor passagiersvaart in 2024.

Eisers, bestaande uit diverse rederijen, betogen dat het volumebeleid van het college, dat het maximum aantal vergunningen en de segmentindeling bepaalt, niet voldoet aan de eisen van de Dienstenrichtlijn. De rechtbank volgt de eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2024 en oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gekozen maximumaantal vergunningen en de segmentindeling geschikt en noodzakelijk zijn ter bescherming van een dwingende reden van algemeen belang.

Daarnaast is het welstandsbeleid, dat gekoppeld is aan de segmentindeling, niet toereikend gemotiveerd en kan het niet in stand blijven zolang het volumebeleid zelf niet voldoet aan de richtlijn. Ook oordeelt de rechtbank dat eisers ontvankelijk zijn in hun bezwaren tegen vergunningen die aan andere reders zijn verleend.

De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en de wijzigingsbesluiten en draagt het college op binnen achttien weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten over de uitgifte van exploitatievergunningen voor rondvaartboten 2024 wegens onvoldoende motivering en draagt het college op nieuwe besluiten te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 21/5679, AMS 23/2726, AMS 23/2728, AMS 23/3080 en
AMS 23/3083

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaken tussen

AMS 21/5679
Reederij P. Kooy B.V., Rederij E.E. Plas B.V., Rederij Boekel B.V., Beleggingsmaatschappij P. Kooij B.V. en [eiser] ,(“de Kooij groep”) allen gevestigd in Amsterdam,
AMS 23/2726 en AMS 23/2728
Reederij P. Kooij B.V.,
AMS 23/3080 en AMS 23/3083
Rederij E.E. Plas B.V.,
hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
(gemachtigde mr. C.W. Kniestedt)
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder(het college)
(gemachtigden: mrs. B.S. Jaasma en M.H.A. Bakkum).

Samenvatting en conclusie

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aanvragen uitgifteronde 2024 voor exploitatievergunningen voor de passagiersvaart. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn, omdat de bestreden besluiten motiveringsgebreken bevatten. Eisers krijgen dus op dit punt gelijk. Het college moet nieuwe besluiten nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het gekozen maximumaantal vergunningen (volumebeleid) geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van een dwingende reden van algemeen belang. Evenmin is voldoende gemotiveerd waarom de gehanteerde segmentindeling een geschikt en noodzakelijk instrument is om de gestelde doelen te bereiken en waarom deze indeling niet leidt tot een ongerechtvaardigde of onevenredige beperking van de toegang tot de markt.
1.3.
Verder stelt de rechtbank vast dat het college de welstandseisen heeft gekoppeld aan verschillende segmenten binnen het volumebeleid. Het welstandsbeleid is gebaseerd op de segmentindeling van het volumebeleid en toegang tot een segment is alleen mogelijk indien het vaartuig aan de bijbehorende eisen voldoet. Omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze segmentindeling voldoet aan de Dienstenrichtlijn, ontbreekt een voldoende rechtvaardiging voor de welstandseisen. Ook het beschermen van het stadsbeeld rechtvaardigt deze eisen niet, zolang het volumebeleid zelf niet aan de richtlijn voldoet. Dit betekent dat het college vergunningen die zijn afgewezen op welstand opnieuw moet beoordelen. Dit geldt ook voor de door eisers ingestelde rechtstreekse beroepen die gaan over aanvullende welstandsvoorschriften voor vergunningen die op aanvraag zijn gewijzigd.
1.4.
Eisers hebben terecht aangevoerd dat zij ontvankelijk zijn in hun bezwaren tegen besluiten van andere reders. Eisers zijn belanghebbende voor zover zij bezwaar hebben gemaakt tegen vergunningverlening aan derden.
1.5.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

AMS 21/5679
2. Eisers hebben 29 aanvragen ingediend voor exploitatievergunningen voor diverse vaartuigen. Het college heeft met de besluiten van 16 maart 2021 respectievelijk 30 maart 2021 (de primaire besluiten) voor 13 vaartuigen exploitatievergunningen verleend en voor 16 vaartuigen de gevraagde exploitatievergunning afgewezen op grond van de rangorde. Ook zijn er in verschillende segmenten exploitatievergunningen verleend aan andere reders. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2021 heeft het college de bezwaren van eisers tegen alle besluiten waartegen bezwaar is gemaakt ongegrond verklaard en de bezwaren van eisers tegen de aan andere reders verleende vergunningen niet-ontvankelijk verklaard.
AMS 23/2726, AMS 23/2728, AMS 23/3080 en AMS 23/3083
3. Eisers hebben meerdere aanvragen ingediend voor wijziging van de exploitatievergunningen van verschillende vaartuigen. De wijzigingen zien op de namen van de vaartuigen. Met de primaire besluiten van 21 februari 2023 respectievelijk 21 maart 2023 heeft het college de namen van de vaartuigen gewijzigd en voorschriften verbonden aan de vergunningen naar aanleiding van het welstandsadvies.

Alle zaken

4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en rechtstreeks beroep tegen alle wijzigingsbesluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een algemeen en een specifiek verweer.
5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 2 bij deze uitspraak. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Op die zitting is het volumebeleid besproken en zijn met partijen afspraken gemaakt over het verdere verloop van de procedure. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting in alle zaken gesloten. De rechtbank heeft op 1 december 2025 in alle zaken het onderzoek heropend en bepaald dat in alle zaken het onderzoek op 13 januari 2026 wordt voortgezet.
6. Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 13 januari 2026 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 2. De zaken zijn gelijktijdig behandeld waarbij het welstandsbeleid is besproken. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
7. Bij brief van 16 januari 2026 in alle zaken heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat er geen nadere zittingen zullen plaatsvinden.

Achtergrond

8.
Het college heeft in het verleden exploitatievergunningen voor de passagiersvaart voor onbepaalde tijd verleend. Daarbij was het aantal verleende vergunningen gemaximeerd. Tot 2013 werden door middel van uitgifterondes alleen nieuwe exploitatievergunningen verleend als het college van mening was dat de drukte op het water dat toestond. In 2016 [1] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn [2] op deze vergunningen van toepassing is en dat de geldigheidsduur van vergunningen voor passagiersvaart niet onbeperkt mag zijn als het aantal vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Omdat het college het aantal exploitatievergunningen wilde maximeren, heeft het beleid vastgesteld voor de passagiersvaart op de Amsterdamse binnenwateren. Dat beleid is neergelegd in de Nota Varen deel 1 van maart 2019. Hierin is onder meer een volumebeleid voor de passagiersvaart opgenomen, waarbij het maximum aantal exploitatievergunningen is vastgesteld op 550 (hierna ook: het vergunningenplafond). In de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) en in hoofdstuk 3 van de Regeling op het Binnenwater 2020 (Rob) is hier verder invulling aan gegeven. Met de Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart heeft het college bepaald hoe de wijziging van vergunningen van onbepaalde naar bepaalde tijd in zijn werk zal gaan. In 2020 heeft het college op basis van deze regelgeving de op dat moment geldende exploitatievergunningen omgezet naar vergunningen voor bepaalde tijd. Een aantal van die vergunningen kreeg een geldigheidsduur tot 1 maart 2024.
9. De Afdeling heeft op 25 september 2024 geoordeeld [3] over de rechtmatigheid van de omzetting van de vergunningen van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Het college mocht een volumebeleid vaststellen en de geldigheidsduur van de exploitatievergunningen wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn. De wijze waarop het college dat met het huidige volumebeleid heeft gedaan, voldoet volgens de Afdeling echter niet aan die richtlijn omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gevoerde beleid geschikt en noodzakelijk is om het doel (het maximeren van het aantal passagiersvaartuigen) te bereiken. De Afdeling heeft alle omzettingsbesluiten herroepen. Dit had tot gevolg dat de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen herleefden. Het college heeft diezelfde dag een vergunningstop (moratorium) voor de duur van één jaar afgekondigd. De duur van de vergunningstop is nadien verlengd tot 1 april 2027.

Omvang van het geding

10. De 550 vergunningen zijn verdeeld over een aantal segmenten en worden uitgegeven in tranches van twee jaar. In eerste instantie zouden de vergunningen voor de eerste tranche op 1 maart 2022 in werking treden. Op verzoek van vergunninghouders heeft het college besloten de datum van inwerkingtreding uit te stellen tot 1 maart 2024. Daarmee schoven de overige tranches ook twee jaar op.
11. In september 2020 konden vergunninghouders van de vergunningen die per
1 maart 2024 zouden aflopen, almede nieuwe toetreders, een aanvraag indienen voor een exploitatievergunning voor bepaalde tijd. Deze exploitatievergunning gaat in per 1 maart 2024. In deze uitgifteronde 2024 waren 155 exploitatievergunningen beschikbaar.
12. Omdat er meer aanvragen zijn ingediend dan exploitatievergunningen beschikbaar waren, heeft er een loting plaatsgevonden. Vervolgens is onderzocht of de aanvragen compleet waren en zijn incomplete aanvragen buiten behandeling gesteld. Tegen deze buitenbehandelingstelling is tevergeefs geprocedeerd. [4] De complete aanvragen die hoog genoeg op de lotingslijst stonden, zijn in volgorde van rangorde inhoudelijk beoordeeld totdat het maximum aantal te verlenen vergunningen was bereikt. Het college heeft de procedure inzake de uitgifte van de nieuwe exploitatievergunningen op grond van de uitgifteronde 2024 in 2021 afgerond. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van
25 september 2024 is de looptijd van de toegekende vergunningen gewijzigd van bepaalde in onbepaalde tijd waardoor er inmiddels 728 vaartuigen zijn met een exploitatievergunning..
13. In onderhavige procedure komen eisers op tegen:
  • de afgewezen aanvragen om een exploitatievergunning op grond van rangorde,
  • de toegewezen aanvragen om een exploitatievergunning voor zover daarbij welstandseisen aan de vergunning zijn verbonden en
  • de toegewezen aanvragen om een exploitatievergunning van andere reders.

Beoordeling door de rechtbank

14. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in bijlage 1 bij deze uitspraak.
Vergunningduur
15. Voor zover eisers beroepsgronden hebben aangevoerd over de vergunningduur overweegt de rechtbank als volgt. De toegewezen vergunningen zijn als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 omgezet van bepaalde tijd naar onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat het procesbelang van eisers op dit punt vervalt. Dit onderdeel wordt daarom niet besproken.
Vergunningenplafond (volumebeleid)
16. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 september 2024 een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de Beleidsregels omzettingen passagiersvaart. Daarbij heeft de Afdeling de Vob en de Rob, dat de juridische grondslag van het volumebeleid vormt, in stand gelaten. Het college heeft ook de voorliggende aanvragen van eisers beoordeeld op grond van de Vob en de Rob.
Standpunten van partijen
17. Het college stelt zich op het standpunt dat, nu de Vob en de Rob door de Afdeling niet onverbindend zijn verklaard, het college voor uitgifteronde 2024 de Vob en de Rob aan de besluitvorming onverkort ten grondslag mocht leggen. Het college stelt zich onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling van 23 november 2022 [5] op het standpunt dat het college het recht moet toepassen zoals dat gold ten tijde van de aanvraag voor zover deze niet onverbindend zijn verklaard. Daarnaast heeft de Afdeling expliciet overwogen dat het college een vergunningenplafond en een volumebeleid mag voeren en daarvoor nadere regels mag opstellen.
18. Eisers stellen dat de Afdeling heeft geoordeeld dat het gehanteerde volumebeleid in strijd is met de Dienstenrichtlijn en heeft bepaald dat het college beleidsregels niet ten grondslag mocht leggen aan de omzettingsbesluiten. De beleidsregels zijn onlosmakelijk verbonden met de Vob en de Rob waardoor die regelgeving en de daarop gebaseerde besluiten geen stand kunnen houden.
Het oordeel van de rechtbank
19. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 september 2024 geoordeeld dat de Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het college mocht, aldus de Afdeling, deze beleidsregels daarom niet ten grondslag leggen aan de omzettingsbesluiten. De Afdeling heeft geoordeeld dat er weliswaar een dwingende reden van algemeen belang bestaat om een volumebeleid in te stellen maar dat de genomen maatregelen niet geschikt en noodzakelijk zijn ter bescherming van de gestelde dwingende reden van algemeen belang (en vlotte en veilige doorvaart en een eerlijke verdeling van de beschikbare ruimte). Het gehanteerde volumebeleid is daarom in strijd met de Dienstenrichtlijn.
20. De rechtbank overweegt dat de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 zag op een andere situatie dan hier aan de orde is. In de procedure bij de Afdeling ging het om de omzetting van vergunningen van onbepaalde tijd naar vergunningen voor bepaalde tijd. De Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart bepaalden de volgorde waarop de exploitatievergunningen zouden aflopen. Deze beleidsregels hebben geen betrekking op nieuw uit te geven exploitatievergunningen die onder het nieuwe volumebeleid zoals geregeld in de Rob vallen. [6] In de onderhavige procedure gaat het om nieuw uit te geven vergunningen voor bepaalde tijd. Uit de uitspraak van de Afdeling kan dan ook niet per definitie worden afgeleid dat de onderhavige besluiten geen stand kunnen houden. Het betreft een andere besluitvorming die zelfstandig getoetst moet worden aan de Dienstenrichtlijn. De Afdeling heeft niet bepaald dat het college geen volumebeleid mag voeren. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de bepalingen uit de Vob en de Rob die gaan over het volumebeleid, anders dan eisers vinden, niet onverbindend zijn. Ook verklaart de rechtbank de bepalingen daarom niet buiten toepassing.
21. In de onderhavige uitgifteronde 2024 heeft het college het aantal te verlenen vergunningen gemaximeerd op 155, verdeeld over een aantal segmenten. Dit is neergelegd in de artikelen 3.1.2 en 3.2.1. van de Rob. Nu het aantal te verlenen vergunningen is begrensd, moet het college toelichten hoe deze begrenzing zich verhoudt tot de Dienstenrichtlijn. Dit geldt ook voor de segmentindeling, omdat elk segment afzonderlijk eveneens is gemaximeerd. Het college dient dus te motiveren waarom er voor het gekozen plafond van 155 vergunningen een dwingende reden van algemeen belang is en waarom dit plafond geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van die dwingende reden.
22. De rechtbank constateert dat het college zich voor deze motivering baseert op dezelfde uitgangspunten als bij de besluiten die voorlagen in de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024. In die zin volgt de rechtbank daarom de overwegingen van de Afdeling dat onvoldoende is onderbouwd dat de begrenzing en de gekozen systematiek geschikt, noodzakelijk en evenredig is ter verwezenlijking van de nagestreefde dwingende redenen van algemeen belang en dat het stelsel coherent en systematisch bijdraagt aan die doelen.
23. De rechtbank is van oordeel dat in het nu voorliggende bestreden besluit een dergelijke motivering ontbreekt. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom juist het gekozen maximumaantal vergunningen noodzakelijk is, noch hoe dit aantal zich verhoudt tot minder beperkende alternatieven. Evenmin is gemotiveerd waarom de gehanteerde segmentindeling een geschikt en noodzakelijk instrument is om de gestelde doelen te bereiken en waarom deze indeling niet leidt tot een ongerechtvaardigde of onevenredige beperking van de toegang tot de markt.
24. Voor zover het college wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 [7] , is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak ziet op andere regelgeving dan hier aan de orde is. In die zaak gold een afzonderlijke bepaling [8] waarin een voorbehoud was opgenomen voor het geval de toenmalige wijzigingen van de exploitatievergunningen in het segment bemand groot van onbepaalde naar bepaalde tijd in rechte geen stand houden. In dat geval had het college het recht om vergunningen in te trekken om te voorkomen dat er meer dan het beoogde aantal vaartuigen met vergunning zou mogen varen. Een dergelijk(e) bepaling of voorbehoud is hier niet aan de orde.
Welstand
25.
Eisers voeren, kort samengevat, aan dat het Welstandsbeleid Passagiersvaart Amsterdam 2019 (het Welstandsbeleid) niet voldoet aan de daaraan op grond van de Dienstenrichtlijn te stellen eisen. De welstandscriteria zoals opgenomen in de Welstandsnota en verbonden aan de vergunningen van eisers zijn in strijd met de Dienstenrichtlijn.
26. Het college voert aan dat het doel van het Welstandsbeleid is om uitsluitend vergunningen te verlenen voor passagiersvaartuigen die qua beeld passen bij de uitstraling van de Amsterdamse grachten. De Amsterdamse grachten hebben een grote cultuurhistorische waarde en zijn een trekpleister voor bezoekers. Ze hebben een status als beschermd stadsgezicht en een UNESCO Werelderfgoed-status. Dit alles stelt hoge eisen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gehele binnenstad van Amsterdam. Het college vindt het dan ook belangrijk dat de passagiersvaartuigen, die nadrukkelijk aanwezig zijn in de Amsterdamse binnenstad, passen binnen deze historisch waardevolle omgeving, de ruimtelijke context en de kenmerken van de Amsterdamse binnenstad. [9]
27. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een beperking in de vrijheid van dienstverlening slechts toelaatbaar is indien de beperking een doel van algemeen belang nastreeft, geschikt is om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. [10]
28. De rechtbank stelt vast dat in het Welstandsbeleid verschillende criteria per segment zijn uitgewerkt. De welstandscriteria zijn dus niet uniform voor alle exploitanten, maar worden gedifferentieerd toegepast afhankelijk van het segment waarin een vaartuig is ingedeeld. Die segmenten hangen samen met factoren als type vaartuig, gebruiksdoel en vaargebied. Voor sommige type vaartuigen worden extra eisen gesteld bovenop hetgeen in algemeen wordt voorgeschreven.
29. De rechtbank stelt verder vast dat het college in de aan de vergunning verbonden welstandseisen nadrukkelijk heeft gedifferentieerd naar de te onderscheiden segmenten. Daarmee zijn deze welstandseisen onlosmakelijk verbonden met het volumebeleid en de daarbij gehanteerde segmentindeling. Toegang tot een segment voor de loting is in de praktijk slechts mogelijk indien het vaartuig voldoet aan de bij dat segment behorende welstandseisen. Nu de rechtbank van oordeel is dat het college bij het hanteren van het volumebeleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat de segmentindeling in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn, ontbreekt daarmee tevens een toereikende rechtvaardiging voor de daaraan gekoppelde welstandseisen. Dat het college met de welstandseisen mede beoogt het uiterlijk aanzien van vaartuigen en het stadsbeeld te beschermen, maakt dit niet anders. Zolang het volumebeleid en de segmentindeling niet voldoen aan de eisen van de Dienstenrichtlijn, kunnen daarop gebaseerde welstandseisen evenmin in stand blijven.

Rechtstreekse beroepen

30. De zaken met zaaknummers 23/2726, 23/2728, 23/3080 en 23/3083 betreffen de wijzigingsbesluiten inzake vervangende vaartuigen, waarbij de namen van deze vaartuigen zijn gewijzigd en daarbij voorschriften zijn opgenomen. De beroepsgronden in deze verschillende zaken zijn daarbij gelijkluidend als in de zaak 21/5679. Nu het bestreden besluit in die zaak niet in stand kan blijven, geldt dit oordeel ook voor de wijzigingsbesluiten die daarmee verband houden. Het college dient daarom de betreffende aanvragen opnieuw te beoordelen.
Vergunningen van andere reders
31. Eisers zijn tot slot in beroep opgekomen tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun bezwaren tegen de vergunningverlening aan andere reders. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 september 2024 [11] geoordeeld dat reders bij hun bezwaar tegen aan derden verleende vergunningen wel rechtstreeks belang hebben. Dat betekent dat eisers, anders dan het college betoogt, belanghebbende zijn bij de vergunningverlening aan andere reders. Het college heeft dus eisers ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren gericht tegen vergunningen verleend aan andere reders.
Overige gronden
32. Voor zover eisers overige gronden aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om deze te beoordelen omdat het beroep gelet op het bovenstaande gegrond is.

Conclusie en gevolgen

33. De beroepen zijn gegrond omdat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank vernietigt ook de wijzigingsbesluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De aard van de zaak leent zich niet voor definitieve geschilbeslechting.
34. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor achttien weken.
35. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.502,50 (1 punt voor het beroep,
1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting [12] , met een wegingsfactor 1,5 wegens samenhangende zaken en een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer 21/5679
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 oktober 2021;
- draagt het college op binnen achttien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 360,- aan eisers moet vergoeden;
in de zaken geregistreerd onder zaaknummers 23/2726, 23/2728 en 23/3080 en 23/3083
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de wijzigingsbesluiten;
- draagt het college op binnen achttien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- per zaak (vier keer € 365,-) aan eisers moet vergoeden;
in alle zaken
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.502,50 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. L.H. Waller en
mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mrs.C. Simonis en N. van der Kroft, griffiers.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage 1: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Rob

Artikel 3.1.2 Verdelingsronde 2024

1. Een exploitatievergunning voor vervoer van personen wordt slechts verleend indien daarvoor een aanvraag is ontvangen in de periode tussen 1 september 2020 om 8:00 uur en 30 september 2020 om 16:00 uur.
2. Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een vergunning verlenen voor een vaartuig in het segment:
a. “beeldbepalend en historisch groot” als het een vaartuig betreft dat voldoet aan de eisen in bijlage 1 of bijlage 2 en het aantal zitplaatsen op het vaartuig meer dan 50 bedraagt;
b. “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot” als het een vaartuig betreft dat voldoet aan de eisen in bijlage 1 of bijlage 2 en het aantal zitplaatsen op het vaartuig 50 of minder bedraagt;
c. “groot” als het aantal zitplaatsen op het vaartuig meer dan 50 bedraagt;
d. “klein en middelgroot” als het aantal zitplaatsen op het vaartuig 50 of minder bedraagt;
e. “onbemand” als het een vaartuig betreft dat bestemd is voor onbemande verhuur.
3. Het college verleent op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geen exploitatievergunning voor vervoer van personen:
a. met een ongemotoriseerd vaartuig;
b. voor onbemande verhuur met vaartuigen langer dan 5,5 meter of breder dan 2 meter, gemeten over alles.
Artikel 3.2.1
Het college verleent voor de aanvragen, bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, ten hoogste:
a. 10 vergunningen voor historische vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch groot”,
b. 18 vergunningen voor historische vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot”,
c. 6 vergunningen voor beeldbepalende vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch groot”,
d. 5 vergunningen voor beeldbepalende vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot”,
e. 25 vergunningen voor vaartuigen in het segment “groot”,
f. 30 vergunningen voor vaartuigen in het segment “klein en middelgroot”,
g. 50 vergunningen voor vaartuigen in het segment “onbemand”, en
h. 11 vrij te verdelen vergunningen.

Dienstenrichtlijn

Artikel 10
Vergunningsvoorwaarden
1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.
2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn:
a. a) niet-discriminatoir;
b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredig met die reden van algemeen belang;
d) duidelijk en ondubbelzinnig;
e) objectief;
f) vooraf openbaar bekendgemaakt;
g) transparant en toegankelijk.
3. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De in artikel 28, lid 2, bedoelde contactpunten en de dienstverrichter staan de bevoegde instantie bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken.
4. De vergunning biedt de dienstverrichter op het gehele nationale grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren, tenzij een vergunning voor elke afzonderlijke vestiging of een beperking van de vergunning tot een bepaald gedeelte van het grondgebied om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd is.
5. De vergunning wordt verleend zodra na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.
6. Behalve in het geval van het verlenen van een vergunning, wordt elke beslissing van de bevoegde instanties, waaronder ook de weigering of intrekking van een vergunning, met redenen omkleed, en moet dit besluit voor de rechter of andere beroepsinstanties kunnen worden aangevochten.
7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toedeling van de bevoegdheden, op lokaal of regionaal niveau, van de instanties die in de betrokken lidstaat vergunningen verlenen.

Awb

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Bijlage 2: overzicht zaaknummers

1. [bedrijf] , (21/4914)
2. Holy Boat B.V. (21/4918)
3. Rederij Nassau B.V. (21/4919)
4. Flagship Holding B.V. (21/4920)
5. Rederij Lovers B.V. (21/5147)
6. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid B.V. , h.o.d.n. Blue Boat
Company en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V., (21/5187)
7. Rederij Amsterdam B.V. (21/5310)
8. de heer [eiser] , (21/5679)
9. Join our Cruise B.V. (21/5787)
10. Greenboats B.V. (Boot2go B.V.), (21/5820)
11. Stromma Nederland B.V., (21/5937)
12. Rederij Belle B.V., (22/518),
13. Rederij P. Kooy B.V., (23/2726 en 23/2728)
14. Reederij E.E. Plas B.V., (23/3080 en 23/3083)
15. [bedrijf] (eenmanszaak), (23/6964)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160).
2.Richtlijn 2006/123/EG van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732.
4.Zie de uitspraak van 2 april 2026 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:1234.
6.Vergelijk r.o. 17 in de uitspraak van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732.
8.Artikel 16.1 van het Uitgiftereglement 2016 GWT luidde: “
9.Zie pagina 5 van het Welstandsbeleid.
10.Zie onder andere het arrest Las, 15 april 2013, C-202/11. En het arrest Trijber en Harmsen, 1 oktober 2015, C-340/14 en C-341/14, op www.curia.europa.eu. Zie onder andere rechtsoverwegingen 41 en 70.
11.Zie rechtsoverweging 7.3. e.v.
12.Op grond van onderdeel A1, nr. 15, bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (nadere zitting (8:64) anders dan na tussenuitspraak).