ECLI:NL:RBAMS:2026:7005

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
1307913526
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse justitiële autoriteit voor de overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in Nederland. De procedure omvatte meerdere zittingen en een tussenuitspraak waarbij de rechtbank aanvullende informatie over de detentieomstandigheden in Frankrijk opvroeg.

De opgeëiste persoon betwistte de overlevering vanwege vermeende ontoereikende garanties omtrent de detentieomstandigheden, met name de beschikbare ruimte in een eenpersoonscel en de duur van isolatie. De Franse autoriteiten verstrekten nadere informatie waaruit bleek dat de persoon waarschijnlijk in Lille-Annoeullin gevangenis zal worden gedetineerd, in een cel van 10-11 m² met sanitaire voorzieningen, en dat een isolatieperiode van zes maanden met mogelijke verlenging geldt.

De rechtbank oordeelde dat deze garanties voldoende zijn om het algemene gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden weg te nemen. De garantie betreft een concrete plaats en periode, wat conform jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU voldoende is. Er zijn geen weigeringsgronden voor overlevering en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

De uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, en mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, op 9 juli 2026. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe vanwege voldoende garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-079135-26
Datum uitspraak: 9 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door de
Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Algerije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 12 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 mei 2026 in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, beide advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 26 mei 2026 [2]
Bij de tussenuitspraak van 26 mei 2026 is het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de in de tussenuitspraak genoemde vragen in het kader van artikel 11 OLW Pro en de daarmee in verband houdende detentieomstandigheden in Frankrijk voor te leggen aan de Franse autoriteiten.
De rechtbank heeft de beslistermijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 25 juni 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, waarnemend voor mr. M.L. van Gessel en door een tolk in de Franse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak 26 mei 2026

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de grondslag en de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst eerst naar de overwegingen in de tussenuitspraak over de detentieomstandigheden. Deze dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Onder verwijzing naar de door de rechtbank geformuleerde vragen in de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 2 juni 2026 aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 3 juni 2026 onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“ [de opgeëiste persoon] will most likely be detained at Lille-Annoeullin Prison.”
Bij mailbericht van 3 juni 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld over het aantal vierkante meters beschikbare ruimte in een meerpersoonscel voor de opgeëiste persoon, naar aanleiding van berekeningen die zij zelf gemaakt had op basis van de informatie die op 30 april 2026 gegeven was met betrekking tot de oppervlaktes van deze cellen en de bezetting. Ook is het volgende gevraagd:

In addition, I would like to pose the following question: In two of its previous, recent rulings, the Amsterdam District Court authorized the surrender of the individuals concerned in those cases to France after the French authorities provided a guarantee that the persons in question would be placed in a single-person cell (in isolation) there, meaning that he would be placed in a cell with 10-11 m2 surface area with a sanitary area between 1,4 and 1,8 m2. To avoid delays in the current case, I would like to ask whether you could provide the same guarantee for Mr. [de opgeëiste persoon] in this case as well?
Op 5 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt geantwoord op deze vraag:

All the relevant information regarding cell sizes and the methods of calculation was already sent to you in the letter dated 30 April 2026.
Regarding solitary confinement, following consultation with the investigating judge in charge of Mr [de opgeëiste persoon] ’s case, here is his response:
“The judicial isolation measure guaranteeing a single cell falls within the jurisdiction of the investigating judge. I will issue an order for judicial isolation following his first court appearance, should he be charged and if the judge responsible for liberty and detention decides to remand him in custody.”
The prison service is bound by the judicial isolation order.”
Vervolgens heeft het IRC aanvullende vragen gesteld op 19 juni 2026. Daar heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt op geantwoord op dezelfde dag:
“As soon as he is taken into custody, Mr. [de opgeëiste persoon] will be brought immediately before the investigating judge, who may place him under formal investigation. The investigating judge may refer the case to the judge responsible for liberty and detention for the purpose of ordering his pretrial detention. In the event that Mr. [de opgeëiste persoon] is placed in pretrial detention, the investigating judge will issue an order for judicial isolation.”
Dit antwoord is op 22 juni 2026 als volgt aangevuld:

In addition, the investigating judge notes that the order for judicial isolation has been issued for a renewable period of 6 months.”
In de aanvullende informatie van 30 april 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is onder meer de volgende informatie gegeven over berekening van ruimte in cellen:
“The sanitary facilities area is therefore included in the room’s floor area; its
size depends on technical limitations and varies between 1.4 and 1.8 m².”
Ook is de volgende informatie opgenomen over de cellen die bedoeld zijn voor één persoon, in de gevangenis in Lille-Annoeullin:
“The LILLE-ANNOEULLIN detention facility consists of a 'men's remand centre "
(MAH) section, intended for persons awaiting trial, such as Mr [de opgeëiste persoon] . The
men's remand centre section contains:
-272 cells, each measuring 10 to 11 m² and with a design capacity of one place, equipped with two beds.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de aanvullende informatie nog steeds onvoldoende is om het gevaar weg te nemen. Het is onduidelijk hoeveel vierkante meter aan persoonlijke ruimte beschikbaar is in een eenpersoonscel. In de zaak waarin de mail van het IRC wordt verwezen, ging het om een andere gevangenis (Maubeuge) en werd wel duidelijk gegarandeerd hoeveel vierkante meter beschikbaar was in de eenpersoonscel. [3] Daarnaast is het de vraag of de opgeëiste persoon wel alsnog in een overbevolkte cel terecht komt als de rechterlijke beslissing, die ziet op die plaatsing in een eenpersoonscel, ten einde loopt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er met de nieuwe aanvullende informatie sprake is van een detentiegarantie die voldoende is om het individueel gevaar weg te nemen. Uit de aanvullende informatie van 30 april 2026 is af te leiden dat een eenpersoonscel in de gevangenis van
Lille-Annoeillinvoldoende ruimte biedt omdat deze een oppervlakte heeft van 10 m². Rekening houdend met 1,8m² voor het sanitair is dat ruim voldoende. De overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebleken dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk wordt gedetineerd in
Lille-Annoeullin Prison.
Uit de hiervoor aangehaalde aanvullende informatie blijkt voorts dat de opgeëiste persoon, indien hij na zijn overlevering in voorlopige hechtenis wordt genomen, in de gevangenis
Lille-Annoeullinin elk geval voor de duur van zes maanden in isolatie – dat wil zeggen niet met andere gedetineerden – in een eenpersoonscel zal worden geplaatst. Uit de vraagstelling van het IRC van 3 juni 2026 en het antwoord van 5 juni 2026, gelezen in combinatie met de eerder verstrekte informatie van 30 april 2026, blijkt bovendien dat hij in een dergelijke cel voldoende ruimte tot zijn beschikking zal krijgen. Het algemene gevaar van schending van zijn grondrechten zoals omschreven in de tussenuitspraak is daarmee voor hem weggenomen.
De rechtbank merkt daarbij op dat zij de garantie zo begrijpt, dat de opgeëiste persoon niet zal worden onderworpen aan een isolatieregime, maar alleen dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een cel die bestemd is voor toepassing van dat regime. [4]
Op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) is de rechtbank enkel verplicht “de detentieomstandigheden te onderzoeken in de penitentiaire inrichtingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikken, deze persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis”. Overeenkomstig dat arrest vallen de detentieomstandigheden in penitentiaire inrichtingen waarin de opgeëiste persoon eventueel later gedetineerd kan raken uitsluitend onder de bevoegdheid van de rechter in de uitvaardigende lidstaat. [5] Gelet op het hiervoor aangehaalde arrest, doet – anders dan door de raadsman betoogd - de omstandigheid dat de garantie slechts een periode van zes maanden beslaat niet af aan de genoegzaamheid daarvan. Het is niet aan de rechtbank een onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden na ommekomst van die periode, die overigens, zo blijkt uit de garantie, voor verlenging vatbaar is.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie die in de aanvullende informatie, in samenhang gelezen, gegeven is.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Procureur de la République pres le Tribunal Judiciaire de Lille(Frankrijk) voor de feiten zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
3.Rb. Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:RBAMS:2026:5991.
4.Vgl. Rb. Amsterdam 11 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5991.
5.HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 87.