ECLI:NL:RBAMS:2026:7162

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12258410 KK EXPL 26-343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot nakoming re-integratieverplichting en verhoging dwangsom door werknemer

Eiseres, een docent in dienst van ROC, is sinds mei 2025 ziek en startte in maart 2026 met re-integratie op een andere locatie dan haar oorspronkelijke werkplek. Zij vordert nakoming van een eerder kort geding vonnis waarin ROC werd veroordeeld haar toe te laten tot re-integratie op haar eigen locatie en functie, met inachtneming van haar medische belastbaarheid.

ROC heeft niet aan deze veroordeling voldaan en de maximale dwangsom is bereikt. ROC voert aan dat toelating tot de oorspronkelijke locatie tot onrust leidt en dat rekening moet worden gehouden met weekends, feestdagen en vakanties bij het opleggen van dwangsommen.

De kantonrechter oordeelt dat het belang van eiseres bij herstel op haar eigen locatie zwaarder weegt dan het belang van ROC. De eerdere belangenafweging blijft gelden en nieuwe omstandigheden zijn niet gebleken. Daarom wordt ROC veroordeeld tot onmiddellijke nakoming en wordt een hogere dwangsom van € 500 per dag tot een maximum van € 100.000 opgelegd. Tevens wordt ROC veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: ROC wordt veroordeeld tot onmiddellijke nakoming van re-integratieverplichting met een verhoogde dwangsom van € 500 per dag tot maximaal € 100.000.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12258410 KK EXPL 26-343
vonnis van: 30 juni 2026
func.: 94

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]
eiseres
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. A. Yandere
t e g e n

Stichting Regionaal Opleidingencentrum van Amsterdam-Flevoland

gevestigd te Amsterdam
gedaagde
nader te noemen: ROC
gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 5 juni 2026 met producties, heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.
Ter terechtzitting van 16 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. ROC is verschenen bij [naam 1] (HR-manager) en [naam 2] (directievoorzitter) en bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.
1.1.
[eiseres] is voor onbepaalde tijd in dienst van ROC in de functie van [docent]. Zij vervulde haar functie op de [locatie 1] in [plaats].
1.2.
[eiseres] is sinds 12 mei 2025 ziek. Zij is in maart 2026 gestart met re-integratie in haar eigen functie op de locatie [locatie 2].
1.3.
[eiseres] heeft in kort geding re-integratie op haar eigen werkplek, [locatie 1], gevorderd. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 7 april 2026 KK 26-29 overwogen:
4.5 Alles overziend is het belang van [eiseres] om te herstellen op [locatie 1] zwaarwegender dan het belang van ROC om op een andere locatie in [plaats] te re-integreren. Uitgangspunt bij een re-integratie is een spoedig herstel in eigen functie. De stelling van [eiseres] zij op [locatie 1] spoediger herstelt, lijken ook steun te vinden in de verschillende rapportages van de bedrijfsarts. Verder zijn partijen het erover eens dat [eiseres] in haar dienstverband alleen werkzaam is geweest op [locatie 1]. Op de zitting heeft de kantonrechter [eiseres] gewezen dat re-integratie op [locatie 1] voor haar wel een risico kan inhouden. Namelijk dat het achterliggende arbeidsconflict op die werkplek tijdens de re-integratie tot uitbarsting komt, wellicht ook uit een andere hoek dan zij verwacht. Op de zitting heeft zij verklaard dat het ook dan haar uitdrukkelijke wens is daar te re-integreren.
Verder is in het dictum -voor zover van belang- opgenomen:
De kantonrechter5.1 veroordeelt het ROC om [eiseres] onverwijld na betekening van dit vonnis toe te laten tot re-integratie in haar eigen functie als [docent], binnen haar eigen team en op haar eigenlocatie, te weten [locatie 1], met inachtneming van haar medische belastbaarheid en de adviezen van de bedrijfsarts,5.2. veroordeelt het ROC om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het opgestelde plan van aanpak aan te passen op de locatie van re-integratie,
5.3.
veroordeelt ROC om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt
1.4.
Er is geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

Vordering

2. [eiseres] vordert:
I dat ROC wordt bevolen het vonnis van 7 april 2026 na te komen inhoudende dat het ROC
a [eiseres] onverwijld toelaat tot re-integratie in haar eigen functie als [docent], binnen haar eigen team en op haar eigen locatie, te weten [locatie 1], met inachtneming van haar medische belastbaarheid en de adviezen van de bedrijfsarts;
b binnen vijf dagen na betekening van het vonnis het opgestelde plan van aanpak aanpast op de locatie van de re-integratie,
zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag tot een maximum van
€ 500.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
II ROC te veroordelen in de kosten van de procedure.
3. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat ROC niet heeft voldaan aan haar veroordelingen in het kort geding vonnis van 7 april 2026 en dat het maximum van de daaraan verbonden dwangsommen is bereikt. De hoogte van de opgelegde dwangsom is volgens [eiseres] kennelijk een onvoldoende prikkel tot nakoming, reden waarom zij verhoging daarvan vordert.
4. ROC voert aan dat zij [eiseres] niet tot haar werkplek in [locatie 1] heeft toegelaten omdat dit tot veel onrust zal leiden bij haar collega’s in haar team. Zij heeft ook met hun belangen rekening te houden. Zij heeft voor de lessen in [locatie 1] een vervanger geregeld. De studenten zitten in een afrondende fase van hun schooljaar en het is onwenselijk om zo kort voor het einde van het schooljaar ingrijpende wijzigingen door te voeren.
5. Zij verzoekt om bij het vaststellen van eventuele dwangsommen rekening te houden met de dagen waarop het ROC niet aan de veroordeling kan voldoen om [eiseres] toe te laten tot haar werkzaamheden op [locatie 1], zijnde de zaterdag en zondag, erkende feestdagen en schoolvakantie, in het bijzonder de zomervakantie vanaf 10 juli t/m 24 augustus 2026 en de dwangsom te matigen tot een redelijk bedrag.

Beoordeling

6. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
7. Nu ROC niet aan de veroordeling in het kort geding vonnis voldoet, heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vordering.
8. In het vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter na een belangenafweging ROC veroordeeld [eiseres] tot re-integratie in haar eigen functie als [docent] op haar werkplek in [locatie 1] toe te laten. ROC heeft erkend dat zij daaraan niet heeft voldaan en de maximale dwangsommen inmiddels zijn verbeurd. Dat toelating van [eiseres] op haar werkplek mogelijk tot problemen zal leiden heeft de kantonrechter al in het eerdere vonnis bij de belangenafweging meegenomen en kan thans niet opnieuw worden beoordeeld. Van nieuwe feiten of omstandigheden is niet gebleken.
9. Nu ROC niet aan de veroordeling van het kort geding vonnis voldoet, is een krachtiger prikkel in de vorm van een hogere dwangsom noodzakelijk. Daarom wordt ROC veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat ROC niet aan de bij vonnis van 7 april 2026 onder 5.1 en 5.2 genoemde veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt. De verschuldigdheid van deze verhoogde dwangsommen vangt aan binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis.
10. De kantonrechter merkt op dat met de veroordeling tot het toelaten tot re-integratie in haar eigen functie wordt bedoeld dat [eiseres] in staat moet worden gesteld haar eigen werk uit te oefenen. Daarmee wordt dus niet bedoeld, en dat is door [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend, dat de schoollocatie specifiek voor haar moet worden opengesteld op een moment dat het gebouw voor alle werknemers gesloten is, zoals bijvoorbeeld het weekend of de zomervakantie.
11. ROC wordt als in de ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Deze worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 155,02
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 577,00
- nakosten
€ 72,00Totaal € 897,02

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt ROC tot onmiddellijke nakoming van hetgeen waartoe zij onder r.o. 5.1 en 5.2 van het vonnis van 7 april 2026 met zaaknummer 12055930 KK 26-29 is veroordeeld, waarbij een dwangsom verschuldigd is voor iedere dag dat ROC niet aan deze veroordelingen voldoet binnen vijf dagen na betekenis van dit vonnis, van € 500,00 per dag tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
veroordeelt ROC in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 897,02 te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ROC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.