Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
[eiser 7],
[eiser 8],
[eiser 9],
[eiser 10],
[eiser 11],
[eiser 12],
[eiser 13],
[eiser 14],
[eiser 15],
[eiser 16],
[eiser 17],
[eiser 18],
[eiser 19],
hierna te noemen: huurders,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 april 2026, waarin is beslist dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) worden gesteld;
- de akte uitlating prejudiciële vragen van huurders van 23 juni 2026;
2.De zaak in het kort
3.Relevante regelgeving
De rechter kan de vordering [tot het vaststellen van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen] slechts toewijzen (…)
d. indien de huurder niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot dezelfde woonruimte (…)
4.De feiten voor zover van belang voor de prejudiciële vragen
in conventie en voorwaardelijke reconventie
- De hoogte van de variabele opslag wordt vastgesteld aan de hand van de waarden van het gehuurde zoals vastgesteld op de basis van de Wet waardering onroerende zaken;
- De gewijzigde huurprijs geldt ook indien van de wijziging aan de huurder geen afzonderlijke mededeling wordt gedaan;
- Indien het CBS de bekendmaking van bedoeld prijs indexatiecijfer staakt of de basis van de berekening daarvan wijzigt, zal een zoveel mogelijk vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd. Indien het CBS haar activiteiten volledig staakt zal na een zoveel mogelijk
- aangepast of vergelijkbaar indexcijfer worden gehanteerd van de rechtsopvolger van het CBS of een instantie met een vergelijkbare functie.
- In het geval van hyper inflatie of deflatie kan de verhuurder de huur te allen tijde aanpassen naar de markt conforme huur op de wijze, zoals zij dat wenselijk acht.
5.Het geschil voor zover van belang voor de prejudiciële vragenin conventie en voorwaardelijke reconventie
5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Volgens huurders is dat het geval en hebben zij recht op terugbetaling van het teveel betaalde als gevolg van het verhogen van de huurprijs op grond van een oneerlijk beding. Tijdens onderhavige procedure heeft de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland, naar aanleiding van vragen die de kantonrechter te Amsterdam had gesteld (ECLI:NL:RBAMS:2024:129 en ECLI:NL:RBAMS:2024:131) in een soortgelijke zaak prejudiciële vragen beantwoord. Naar aanleiding van die antwoorden hebben huurders de kantonrechter in deze procedure verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Verhuurder heeft zich hiertegen verzet. De kantonrechter heeft besloten om het verzoek van huurders te honoreren.
1 mei 2021 was er wettelijk gezien contractsvrijheid. Daarna is bepaald dat een opslagbeding nietig is voor zover het een wettelijk maximaal percentage te boven gaat. De wetgever heeft dus reeds voor een evenwicht gezorgd. De vervanging van het beding door de regeling van de Wet maximering huurverhogingen geliberaliseerde huur volstaat. Iedere verdergaande maatregel druist in tegen de doelstellingen van de Richtlijn en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
6.De beoordeling in het tussenvonnis
7.Prejudiciële vragen
Verzet het Unierecht zich tegen splitsing van een bepaling in twee bedingen, wanneer die bepaling zowel een beding van prijsindexering, als een tweede methode omvat om de (huur)prijs te verhogen en moeten deze bedingen, wanneer splitsing mogelijk is, dan ook afzonderlijk worden beoordeeld op eerlijkheid, in die zin dat bij oneerlijk bevinden van het ene beding het andere beding, te weten het indexatiebeding, in stand kan blijven?
a. als in het beding zelf weliswaar niet de redenen zijn genoemd op grond waarvan de prijs kan worden gewijzigd, maar de handelaar na het sluiten van de overeenkomst alsnog redenen voor verhoging van de prijs aanvoert? Maakt het daarbij uit of de aangevoerde redenen plausibel zijn?
Is een maximaal opslagpercentage, dat wordt vastgesteld aan de hand van de waarde van het gehuurde, waarmee de huurprijs kan worden verhoogd, een voldoende duidelijke wijze van aanpassing van de prijs en is het stijgen van de waarde van een woning een voldoende geldige reden voor wijziging van de huurprijs?
b. als het beding slechts kan leiden tot huurverhoging en niet tot huurverlaging?
c. als opzegging van de huurovereenkomst juridisch mogelijk is, maar daadwerkelijke opzegging, als gevolg van de situatie op de woningmarkt, voor de huurder geen optie is?
Vraag 5:In hoeverre moet bij de beoordeling van de eerlijkheid van een opslagbeding rekening worden gehouden met de op het moment van aangaan van de overeenkomst te voorziene maximaal mogelijke huurprijsstijging in verhouding met de dan voorzienbare mogelijke stijging of daling van het inkomen van de betreffende individuele huurder en diens mogelijkheden om de verhoogde huur te kunnen blijven betalen (dus in hoeverre moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met individuele omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een huurder een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt en slechts achteruitgang van het reële inkomen valt te verwachten)?
1 juli van elk jaar door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gepubliceerd’. De wettelijke taak van het CBS is het maken van statistieken over een groot aantal maatschappelijke onderwerpen en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Ook publiceert het CBS maandelijks over de prijsontwikkeling van goederen en diensten die consumenten aanschaffen. De prijsontwikkeling wordt gemeten in CPI. De jaarmutatie van de CPI staat bekend als de inflatie, die wordt berekend als de procentuele verandering in de verslagmaand ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder. In het huurprijswijzigingsbeding is de methode die het CBS hanteert om het inflatiepercentage te berekenen, niet toegelicht of omschreven. Hoewel de gemiddelde consument in Nederland globaal wel een beeld heeft van wat het CBS doet, ontbreekt diepgaande kennis over de taken en werkwijze van het CBS. Op internet is wel te vinden wat de CPI voor een bepaalde maand of een bepaald jaar is, bijvoorbeeld op de website van het CBS. De vraag is of dat voldoende is in het licht van sub d) van punt 2 van de bijlage, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat in het betreffende beding alleen verwezen wordt naar het CBS en niet naar CPI.
8.De beslissing
mr. T.C. van Andel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.