ECLI:NL:RBAMS:2026:7298

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/762712
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 6:89 BWArt. 3:13 lid 2 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens verjaring en misbruik procesrecht in zorgplichtzaak tegen ABN AMRO

Eiser procedeert namens zijn overleden moeder tegen ABN AMRO over vermeende schendingen van de zorgplicht bij beleggingsdienstverlening, niet-uitgevoerde betaalopdrachten en beëindiging van de bankrelatie. De rechtbank beoordeelt de vorderingen inhoudelijk en wijst deze af, primair vanwege verjaring en subsidiair wegens niet tijdig klagen.

De rechtbank constateert dat eiser en zijn moeder al in 2005 bekend waren met de schade en de aansprakelijkheid van ABN AMRO, waardoor de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. Ook is onvoldoende binnen bekwame tijd geprotesteerd, waardoor het beroep op de klachtplicht slaagt. De eerdere kortgedinguitspraken bevestigen dat ABN AMRO terecht betaalopdrachten niet uitvoerde en rekeningen blokkeerde.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eiser misbruik maakt van zijn procesrecht door herhaaldelijk dezelfde vorderingen in te stellen zonder nieuwe feiten, met een dreigende en onredelijke proceshouding. Daarom wordt eiser veroordeeld in de volledige proceskosten van ABN AMRO, die ruim € 250.000 bedragen. De vordering van ABN AMRO in reconventie wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst alle vorderingen van eiser af, inclusief de kostenvergoedingen. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige klacht en het tegengaan van misbruik van procesrecht in langdurige civiele procedures.

Uitkomst: Alle vorderingen van eiser worden afgewezen wegens verjaring en schending klachtplicht, en eiser wordt veroordeeld in volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762712 / HA ZA 25-79
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. Q.A.L.M. Gijsbers,
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO (of de bank),
advocaat: mr. A.J. Haasjes.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 maart 2026, en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort en leeswijzer

Inleiding
2.1.
Gelet op de omvang van het dossier, volgt eerst een korte samenvatting deze zaak. Daarna volgt een leeswijzer voor het vonnis.
2.2.
Tussen [eiser] en ABN AMRO bestaat een lange geschiedenis van juridische procedures, waarbij [eiser] zowel op persoonlijke titel heeft geprocedeerd als op titel van zijn moeder, mevrouw [naam 1] (“ [naam 1] ”). Ook in deze procedure komt hij in feite op voor de belangen van [naam 1] , die haar (mogelijke) vorderingen op de bank aan [eiser] heeft gecedeerd. [naam 1] is tijdens deze procedure op 6 februari 2025 overleden.
2.3.
De vorderingen van [eiser] in conventie zijn op hoofdlijnen in te delen in vier verschillende categorieën, zoals beschreven in het vonnis van 11 februari 2026, en welke indeling ook is gehanteerd tijdens de mondelinge behandeling van 11 maart 2026:
vorderingen die gegrond zijn op schending van de zorgplicht bij beleggingsdienstverlening ten aanzien van [naam 1] ;
vorderingen die verband houden met de (volgens [eiser] ten onrechte) niet-uitgevoerde betaalopdrachten van [naam 1] ;
vorderingen die verband houden met de beëindiging van de bankrelatie tussen ABN AMRO en [naam 1] ;
overige vorderingen, die zien op vergoeding van de kosten die [eiser] heeft gemaakt ter verkrijging van zijn recht.
2.4.
Over de onderwerpen van de vorderingen in categorie b en c heeft [naam 1] al in 2012 en 2014 kortgedingprocedures gevoerd. De vorderingen zijn toen afgewezen bij vonnis van 2 oktober 2012 respectievelijk 14 mei 2014.
2.5.
ABN AMRO stelt primair dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, althans dat hij niet ontvankelijk moet worden verklaard, vanwege zijn processtrategie. ABN AMRO betwist voorts alle vorderingen en vordert in reconventie vergoeding van de werkelijke proceskosten.
De beslissing in het kort
2.6.
Alle vorderingen in conventie worden afgewezen na een inhoudelijke beoordeling. De vorderingen die gegrond zijn op schending van de zorgplicht bij beleggingsdienst-verlening ten aanzien van [naam 1] (categorie a) worden afgewezen, omdat primair het beroep op verjaring en subsidiair het beroep op de schending van de klachtplicht van ABN AMRO slaagt. De vorderingen die verband houden met de (volgens [eiser] ten onrechte) niet-uitgevoerde betaalopdrachten (categorie b) en de beëindiging van de bankrelatie (categorie c) worden afgewezen, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de eerdere vonnissen van de voorzieningenrechters van 2 oktober 2012 en 14 mei 2014. De stellingen van [eiser] in deze procedure werpen geen ander licht op de zaak. Tot slot worden ook de overige vorderingen afgewezen, omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld en daarmee geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten en daarmee samenhangende kosten.
2.7.
De vordering in reconventie tot vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt toegewezen, althans [eiser] wordt in conventie veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van ABN AMRO. Hoewel de lat daarvoor hoog ligt, wordt ABN AMRO gevolgd in haar betoog dat de vorderingen van [eiser] erop gericht zijn om ABN AMRO tot het uiterste te schaden en dat [eiser] daarmee misbruik maakt van bevoegdheid.
Leeswijzer
2.8.
Dit vonnis is als volgt opgebouwd. In paragraaf 3 volgt in het kort een weergave van de vorderingen in conventie en reconventie. Daarna volgt in paragraaf 4 de beoordeling, waarbij per categorie van vorderingen eerst de feiten worden vastgesteld en daarna het oordeel wordt gegeven. De vorderingen in conventie worden eerst behandeld, en daarna de vordering (in reconventie) van ABN AMRO, die ziet op de veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten. In paragraaf 5 volgt de beslissing.

3.Het geschil

Conventie
3.1.
Het petitum van [eiser] beslaat elf pagina’s. Het volledige petitum wordt bijgevoegd als
bijlage 1bij dit vonnis. De vorderingen van [eiser] zijn ingedeeld in vier categorieën, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. De vorderingen van [eiser] zijn als volgt samen te vatten:
a.
Vorderingen die gegrond zijn op schending zorgplicht bij beleggings-dienstverlening(
vordering I tot en met XVIII (met uitzondering van vorderingen XII, XIV en XVII) van het petitum in bijlage 1 bij dit vonnis), waarbij [eiser] een verklaring voor recht vordert dat ABN AMRO is tekortgeschoten in haar zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door:
I. in de periode juli 2001 tot en met april 2014 [naam 1] niet te informeren en te adviseren over de opgebouwde derivatenposities en deze te laten voorbestaan,
II. [naam 1] vanaf juli 2001 meer (ongevraagd) krediet te verlenen dan gelet op haar financiële situatie redelijk is,
III. ten onrechte tarieven dubbel in rekening te brengen,
IV. ten onrechte kosten in rekening te brengen voor het doorrollen van AEX-opties, het aankopen van geëffectueerde putopties en het meerdere malen onder druk verkopen van de aandelen door [naam 1] ,
V. [naam 1] niet deugdelijk te informeren over de belegging van haar vermogen en het renderen van haar vermogen,
VI. [naam 1] niet deugdelijk te informeren over de waarde van de overgedragen portefeuille van Insinger de Beaufort begin 2003,
VII. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij genoodzaakt was bij derden leningen aan te gaan,
VIII. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij genoodzaakt was tot vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 1] te Israël op 22 november 2005, waardoor zij vermogensverlies heeft geleden,
IX. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij genoodzaakt was tot vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 1] te Israël op 22 november 2005, waardoor zij huuropbrengsten en rendement is misgelopen,
X. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij genoodzaakt was tot vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 2] te Israël op 7 september 2014, waardoor zij huuropbrengsten en rendement is misgelopen,
XI. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij genoodzaakt was tot vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 2] te Israël op 7 september 2014, waardoor zij vermogensverlies heeft geleden,
XIII. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij Apple aandelen moest verkopen, waarbij ABN AMRO haar niet deugdelijk heeft geïnformeerd of geadviseerd,
XV. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij Amazon aandelen moest verkopen, waarbij ABN AMRO haar niet deugdelijk heeft geïnformeerd of geadviseerd,
XVI. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij Oracle Corp aandelen moest verkopen, waarbij ABN AMRO haar niet deugdelijk heeft geïnformeerd of geadviseerd,
XVIII. [naam 1] in een situatie te brengen waarin zij Western-Digital aandelen moest verkopen, waarbij ABN AMRO haar niet deugdelijk heeft geïnformeerd of geadviseerd,
met veroordeling van ABN AMRO in de schade die is veroorzaakt door de gestelde zorgplicht schendingen, vermeerderd met wettelijke rente (
vordering I tot en met XIX (met uitzondering van vordering XII) van het petitum in bijlage 1 bij dit vonnis),
vorderingen die verband houden met de (volgens [eiser] ten onrechte) niet uitgevoerde betaalopdrachten(
vordering XX van het petitum in bijlage 1 bij dit vonnis), waarbij [eiser] een verklaring voor recht vordert dat ABN AMRO is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door de in juli en augustus 2012 door [naam 1] gegeven betaalopdrachten niet uit te voeren, met veroordeling van ABN AMRO in de schade die daardoor is veroorzaakt, vermeerderd met wettelijke rente,
vorderingen die verband houden met de beëindiging van de bankrelatie(
vordering XXI van het petitum in bijlage 1 bij dit vonnis), waarbij [eiser] een verklaring voor recht vordert dat ABN AMRO is tekortgeschoten in haar zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door ten onrechte over te gaan tot blokkering en beëindiging van de bankrekeningen van [naam 1] tussen 2012 en 2014, met veroordeling van ABN AMRO in de schade die daardoor is veroorzaakt, vermeerderd met wettelijke rente,
overige vorderingen(
vorderingen XII en XXII tot en met XXV van het petitum in bijlage 1 bij dit vonnis), waarbij [eiser] vordert dat ABN AMRO wordt veroordeeld in de betaling van (i) de kosten die zijn gemaakt voor schadeberekening door het accountantskantoor Slof & Wildenburg, (ii) de daadwerkelijk gemaakte proceskosten ter verkrijgen van zijn recht, (iii) de kosten die verband houden met het voorlopig getuigenverhoor in 2013, en (iv) de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.
Reconventie
3.2.
ABN AMRO vordert in reconventie vergoeding van de werkelijke proceskosten ter hoogte van € 240.455,22. De onderbouwing daarvan door ABN AMRO en het verweer van [eiser] wordt besproken bij de beoordeling.

4.De beoordeling

Context van dit geschil
4.1.
Voordat de vorderingen worden beoordeeld, is het – gelet op de lange geschiedenis tussen [eiser] en ABN AMRO – van belang om de context van dit geschil te schetsen.
4.2.
[eiser] procedeert al lange tijd tegen ABN AMRO. Eerst procedeerde hij op persoonlijke titel, in de kortgedingprocedures vertegenwoordigde hij zijn moeder en nu stelt hij vorderingen in als cessionaris van zijn moeder. Het eerste geschil begon begin jaren 2000 tussen Mediscan B.V. (“Mediscan”), waar [eiser] [functie 1] was, en Zurel Bouquets House B.V. (“Zurel”). Dat geschil ging in de kern over het terugbetalen van (een deel van) een bankgarantie door Mediscan aan Zurel, waar [eiser] het niet mee eens was. [eiser] heeft geprocedeerd om uitbetaling van de bankgarantie te verkrijgen van ABN AMRO, maar zonder succes. [eiser] heeft zich tot op heden niet neergelegd bij de uitspraken van de rechters. De kwestie van de bankgarantie wordt in correspondentie met de bank nog met enige regelmaat aangehaald door [eiser] .
4.3.
In 2011 heeft [eiser] namens [naam 1] , zijn oom [broer naam 1] en zijn tante [schoonzus naam 1] , een klacht ingediend bij de Ombudsman Financiële Dienstverlening van het Kifid, over een derdenbeslag dat namens ABN AMRO werd gelegd op de rekening van [naam 1] en abusievelijk ook op de rekening van [broer naam 1] . Na de ongegrondverklaring van die klacht, diende [eiser] daartegen bezwaar in bij de Geschillencommissie van het Kifid, die de vorderingen bij bindend advies afwees.
4.4.
In 2012 en 2014 heeft [naam 1] kortgedingprocedures aanhangig gemaakt over de vorderingen in categorieën b en c, waarbij [eiser] aanwezig was op de zitting namens zijn moeder, waarover later in dit vonnis meer. In 2017 heeft [eiser] namens zichzelf en namens zijn moeder een tuchtklacht ingediend tegen twee advocaten van ABN AMRO (van het kantoor dat de bank ook in deze procedure bijstaat).
4.5.
In 2020 is een onbekende derde een procedure gestart tegen ICS Cards, een dochteronderneming van ABN AMRO, waarvan [eiser] de advocaten van ABN AMRO op de hoogte stelde en liet weten dat hij zelf bereid was om veel tijd en geld in die zaak te steken. De vorderingen in deze procedure zijn door de rechtbank Amsterdam en het hof Amsterdam afgewezen. In deze procedure is cassatie ingesteld. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. [1] De Hoge Raad heeft op 12 juni 2026 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”). [2]
4.6.
Gedurende deze hele periode heeft [eiser] voortdurend brieven en e-mails gestuurd naar opvolgende CEO’s, diverse werknemers en advocaten van ABN AMRO. De berichten hebben vaak een dreigende toon. In de beoordeling wordt dit verder toegelicht. In 2008 heeft de toenmalige CEO van ABN AMRO aangifte gedaan tegen [eiser] naar aanleiding van een e-mail van [eiser] .
De rol van [eiser] in de procedures die namens [naam 1] worden gevoerd
4.7.
Deze procedure is aangespannen door [eiser] . Hij stelt de vorderingen (deels) in namens zijn moeder. Daarvoor verwijst [eiser] naar een akte van cessie van 24 april 2017 en een akte van cessie van 16 oktober 2019 waarin [naam 1] haar vorderingen op de ABN AMRO overdraagt aan [eiser] .
4.8.
[eiser] heeft ook verwezen naar een notariële volmacht van 22 januari 2014, waarin [naam 1] volmacht verleent aan haar zoon [eiser] , onder andere om haar belangen waar te nemen en voor haar rechten op te komen in haar rechtsverhouding tot ABN AMRO.
4.9.
Dat [eiser] al langer optreedt namens zijn moeder, zowel in juridische procedures als in bankzaken, volgt uit verschillende stukken in het dossier. In 2012 en 2014 zijn in naam van [naam 1] twee kortgedingprocedures gevoerd. De dagvaardingen in die procedures waren uitgebracht in naam van [naam 1] , maar bij de mondelinge behandelingen van beide procedures was [naam 1] niet aanwezig, maar [eiser] wel. In het vonnis van 14 mei 2014 oordeelde de voorzieningenrechter over de verhouding tussen [eiser] en [naam 1] als volgt: “
Veeleer komt uit de verklaring, in zijn totaliteit bezien, het beeld naar voren van een persoon die in dezen haar belangen in grote mate heeft laten behartigen door haar zoon [eiser] en van de exacte gang van zaken, het bestaan van de inhoud van de verscheidene transacties en de op 27 juli 2012 gegeven betalingsopdrachten hoogstens zijdelings op de hoogte was”.
4.10.
Opvallend is ook dat de communicatie vanuit [naam 1] steeds vermeldt dat ABN AMRO geen contact met haar mag opnemen, zonder dat daarvoor enige verklaring wordt gegeven. De contactpogingen die ABN AMRO heeft ondernomen, via brief, telefoon en onaangekondigd huisbezoek, zijn steeds door [eiser] namens zijn moeder afgewezen.
4.11.
De verhouding tussen [eiser] en zijn moeder in de juridische procedures en bankzaken wordt verder toegelicht in paragraaf 4.16.
(a) De vorderingen die gegrond zijn op schending zorgplicht bij beleggingsdienstverlening
Vorderingen en verweer samengevat
4.12.
[eiser] stelt dat ABN AMRO haar zorgplicht bij de belegginsdienstverlening jegens zijn moeder heeft geschonden, waardoor zijn moeder met enorme schulden te kampen heeft gekregen. De zorgplichtschending bestaat volgens [eiser] uit meerdere aspecten, waaronder dat er geen schriftelijk contract bestond tussen de ouders van [eiser] en ABN AMRO om te handelen in aandelen en opties, en dat ABN AMRO geen risicoprofiel heeft opgesteld van zijn ouders. Na het overlijden van de vader van [eiser] (“ [erflater] ”) op 28 juni 2001 heeft [naam 1] de gehele aandelen- en optieportefeuille van [erflater] geërfd. ABN AMRO heeft [naam 1] toen ten onrechte niet geïnformeerd of gewaarschuwd over de het bestaan van de door haar echtgenoot opgebouwde optieportefeuille en de risico’s daarvan, en putopties doorgerold. Daarna heeft ABN AMRO [naam 1] verplicht om haar aandelen te verkopen om te kunnen voldoen aan de marginverplichtingen, waarbij ABN AMRO [naam 1] onvoldoende heeft beschermd tegen de kosten van de marginverplichtingen en het doorrollen, aldus [eiser] .
4.13.
ABN AMRO voert allereerst als verweer dat het recht van [eiser] om schadevergoeding te vorderen is komen te vervallen, omdat de vordering van [eiser] is verjaard (artikel 3:310 lid 1 BW Pro) dan wel omdat [eiser] (althans [naam 1] ) niet binnen bekwame tijd na het (kunnen) ontdekken van de gestelde schending van de zorgplicht bij ABN AMRO heeft geprotesteerd (artikel 6:89 BW Pro). Zowel het beroep op verjaring als het beroep op de klachtplicht slaagt.
De door [eiser] gestelde schending van de zorgplicht van ABN AMRO
4.14.
Zoals al kort toegelicht, stelt [eiser] dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden en de schade moet vergoeden die zijn moeder daardoor heeft geleden. De schending van de zorgplicht houdt verband met het doorrollen van geschreven putopties zonder dat ABN AMRO daartoe (volgens [eiser] ) een contractuele bevoegdheid of opdracht had, waarna – doordat [naam 1] aan de marginverplichtingen moest voldoen – grote schulden zijn ontstaan in de periode 2001 tot en met 2005. Op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding is dat dus meer dan 20 jaar geleden. [eiser] stelt dat ABN AMRO zijn ouders in staat heeft gesteld om optietransacties te verrichten en putopties te schrijven zonder hen daarover te informeren en te adviseren. Zeker gelet op het feit dat [naam 1] geen ervaring had met beleggingen en na het overlijden van haar echtgenoot zijn aandelen- en optieportefeuille erfde, had het op de weg van ABN AMRO gelegen om haar te informeren en te waarschuwen. Ook zou ABN AMRO ongevraagd over zijn gegaan tot overkreditering van [naam 1] na het ontstaan van de schulden, en tarieven dubbel in rekening hebben gebracht, aldus [eiser] .
4.15.
In de dagvaarding wordt door [eiser] , bij herhaling, het volgende beeld geschetst van zijn moeder. Toen [naam 1] 72 was, werd zij weduwe en erfde zij de aandelen- en optieportefeuille van haar echtgenoot. Zij was niet op de hoogte van de handel in opties door wijlen haar echtgenoot en ze was zelf een volstrekte leek op het gebied van financiën en beleggingen. Na het overlijden van haar echtgenoot stond zijn moeder er bovendien helemaal alleen voor.
4.16.
Dit beeld behoeft nuancering. Zoals ABN AMRO terecht heeft aangevoerd, stond [naam 1] er niet alleen voor. Haar zoon [eiser] deed in belangrijke mate de bankzaken van zijn moeder en gaf dikwijls opdrachten aan de bank. Dat gebeurde ook al in de periode 2001 tot en met 2005, waarin [naam 1] volgens [eiser] de grootste verliezen heeft geleden. Dat blijkt uit het volgende:
  • Tijdens het getuigenverhoor op 31 oktober 2013 heeft [naam 1] onder meer het volgende verklaard: “
  • Tijdens hetzelfde getuigenverhoor op 31 oktober 2013 heeft [naam 2] , [functie 2] bij ABN AMRO, onder meer het volgende verklaard: “
  • Tijdens het getuigenverhoor van 6 december 2013 heeft [eiser] onder meer het volgende verklaard: “
Dit betekent dat voor de verdere beoordeling niet alleen de kennis en het inzicht van [naam 1] van belang is, maar eveneens die van [eiser] .
4.17.
Verder stelt [eiser] dat ABN AMRO continu aandelen van geëffectueerde putopties voor [naam 1] aanschafte en haar ongevraagd krediet verstrekte, en dat iedere doorrolserie door ABN AMRO eigenmachtig is uitgevoerd, met enkel een summiere mededeling daarvan aan [naam 1] (althans [eiser] ). ABN AMRO betwist dit. Uit de door [eiser] zelf in het geding gebrachte producties komt een ander beeld naar voren, zoals ABN AMRO terecht stelt. Verwezen wordt naar de volgende correspondentie tussen [naam 1] (althans [eiser] ) en de bank:
- Een faxbericht van 5 maart 2003 uit naam van [naam 1] aan de heer [naam 3] , [functie 3] bij ABN AMRO:

Zoals afgesproken doe ik u bij deze de lijst toekomen van de (alle) Nederlandse papieren die wij op dit moment verkopen, zodra de in ons bezit zijnde (Nederlandse) knock-out reversebles geactiveerd worden medio maart gaan deze ook direkt in de verkoop na schriftelijke opdracht mijnerzijds. Ik hulp u eraan herinneren dat wij bij de bank een korting van 30% hebben bedongen op de transactiekosten voor de aan- en verkoop van aandelen.” Daarna volgt een lijst van meer dan 25 verschillende aandelen, waarna het faxbericht vervolgt met: “
Ik verzoek u het bedrag dat overblijft na betaling van de schuld aan de bank (€ 130.000) op een rekening te zetten die rente oplevert, let wel er mag geen limiet qua tijd of bedrag zijn, zodat ik dit geld met inachtneming van de margindekking kan overboeken naar een andere bank.
- Een faxbericht van 10 maart 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

Bij deze verzoek ik u 2000 (tweeduizend) aandelen abn-amro te verkopen van rek. (…). Ik help u eraan herinneren dat wij bij de bank een korting van 30% hebben bedongen op de transaktiekosten voor de aan- en verkoop van aandelen.”
- Een faxbericht van 12 maart 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):
“Bij deze verzoek ik u de volgende papieren van rekening (…)

1000 stuks philips electronic

767 stuks amstelland MDC

1025 stuks kpn

289 stuks AHOLD

2340 stuks ABN AMRO
Ik help u eraan herinneren dat wij bij de bank een korting van 30% hebben bedongen op de transaktiekosten voor de aan- en verkoop van aandelen.
Tevens verzoek ik u na te kijken via welke methode wij de hoogste rente op euro’s krijgen met een looptijd van 3 maanden, ik neem daar later met u vandaag kontakt over”
- Een faxbericht van 25 juli 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

Bij deze verzoek ik u ter waarde van € 300.000 (driehonderduizend euro’s) amerikaanse dollars te kopen voor een koers van minimaal euro/dollar van 1.15 ofwel ik dien minimaal $ 345.000 (driehonderd en vijfenveertigduizend dollar) te ontvangen). Het geld voor deze transactie bevindt zich op onze internetspaarrekening die gekoppelde is aan onze gewone rekening [nummer 1] . Mijn zoon [eiser] , neemt in de loop van de ochtend hierover met uw kontakt hierover op.
- Een faxbericht van 21 september 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

Per 5-3-03 heb ik aangegeven dat wij ons terugtrekken uit de Nederlandse aandelenmarkt.Op 29-5-03 heeft de bank – ondanks dat wij al bij vele gelegenheden aangegeven hebben dat wij hierop geen prijs stellen – van uitgekeerd dividend, van de nog in ons bezit zijnde ABN-AMRO aandelen, wederom aandelen ABN-AMRO gekocht. Deze transactie is een week later teruggedraaid.
Op 5-9-03 herhaalt de bank wat reeds per 29-5-03 als ongewenst is aangemerkt, en koopt wederom haar eigen aandelen in t.w. 150 stuks en nog wat rest kosten à 7.46 (datum 2-9-03). Ik verzoek u dan ook, de zaak terug te draaien zonder verdere (transactie) kosten onzerzijds, -dit betekent ook de eerder genoemde € 7.46 – het geld te storten op de rekening.
- Een faxbericht van 23 september 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

In vervolg op mijn fax van 21-9-03 inzake terugkopen van stockdividend abn-amro, herhaalt de bank wat wij per die datum als herinnering onder uw aandacht hebben gebracht, en per sénietwensen.
Op ons afschrift van 20-9-03 wordt wederom aandelen (in deze kwestie 1400 AEGN) i.p.v. dividend op onze rekening gestort.
Ik verzoek u dan ook, de zaak terug te draaien zonder verdere (transactie) kosten onzerzijds.
- Een faxbericht van 27 september 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

Bij deze bevestig ik het door mij verzochte terugdraaien van de transacties inzake stockdividend ABN-AMRO en Aegon. Echter het aandeel ABN-AMRO is ingekocht op 4-9-03 (conversienota 5-9-03) voor een prijs die die dag gold tussen de € 16.89 en € 16.41 (zie bijlage), echter de verkoop op 25-9-03 is voor een prijs van € 16.13 dit betekent dat de transactie nog niet volledig is teruggedraaid aangezien ik hierop verlies leidt, evenmin heb ik het geld teruggestort gekregen van de transactiekosten van conversiedatum van 4-9-03. (…) Ik verzoek u dan ook nog even in de zaak te kijken op genoemde data’s en het verschil in mijn voordeel op rekening (…) terug te storten.”
Onder dit faxbericht staat een handgeschreven bericht van [eiser] van 2 maart 2004, waarin hij [naam 3] (ABN AMRO) onder andere verzoekt om nogmaals naar het verzoek uit het faxbericht van 27 september 2003 te kijken. Ook vraagt [eiser] :
“Is er inmiddels al iets bekend inzake een bod door HP op de aandelen indigo”.
- Een faxbericht van 22 oktober 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 3] (ABN AMRO):

Op 20-10-03 zijn de 20 puts aex 600 okt03 serie uitgevoerd en hebben wij tevens op 21-10-03 deze zelfde serie naar okt 2004 ‘doorgerold’.
Ik help u er aan herinneren dat wij bij de bank een korting van 30% hebben bedongen op de transaktiekosten op de Amsterdamse beurs.
- Een faxbericht van 29 oktober 2003 uit naam van [naam 1] aan [naam 2] (van ABN AMRO):
“Gaarne uw aandacht voor het volgende:
Op 28-10-03 heb ik per fax verzocht $ 23.000 over te maken op mij RABO rekening.Dit is uitgevoerd conform opdracht op genoemde datum met transactienr. (…)
Echter op 29-20-03 wordtwederom$ 23.000 overgeboekt met transactienr. (…).
In het verleden heb ik u en de heer [naam 3] reeds een aantal keren aangeschreven inzake fouten van de bank, echter deze breekt alle records.
Ik breng onder uw aandacht een claim die ik heb lopen tegen ABN-AMRO (zitting 12-11-03) t..w.v. € 70.000 t.g.v. gleden schade inzake foute overboekingen en zelfstandig handelen van de bank in het verleden
Gaarne zou ik van u vernemen hoe dit heeft kunnen plaatsvinden, en welke garanties ik heb dat dit niet voor de derde maal gebeurt.”
- Een handgeschreven notitie van 24 maart 2003 op een fax aan ABN AMRO uit maart 2003: “
Bij deze bevestigen wij dat wijnooitgevraagd hebben om een andere wijze van fiattering, indien door herleven van deze fiattering een contractwijziging in ons nadeel plaatsvindt dan wel een eenzijdig contractwijziging, dan gaan wij niet akkoord. Wij geven dit alleen onder de voorwaarde dat de overeenkomst en de voorwaarden tussen mijzelf (…) [naam 1] en de ABN AMRO ongewijzgd zijn en blijven. (…) tussen de bank en [naam 1] van voor de rekening van de [onleesbaar] zoals hier is overlegd blijft de ABN-AMRO volledig aansprakelijk voor alle directe schade en indirecte schade.”
4.18.
Uit deze berichten blijkt dat [naam 1] (althans degene die haar bijstond, [eiser] ) geen leek was op het gebied van financiën, dat zij (althans [eiser] ) zelf opdrachten gaf aan ABN AMRO, waaronder het doorrollen van putopties, dat er wel degelijk contact was tussen [naam 1] (althans [eiser] ) en de bank, en dat zij (althans [eiser] ) niet alles wat de bank slikte voor zoete koek, maar kritisch bekeek en beoordeelde. Ook blijkt dat [naam 1] (althans [eiser] ) reeds toen kennis had van complexe financiële instrumenten, zoals “knock-out reversibles”, en dat zij (hij) op de hoogte was van het begrip “margindekking”.
4.19.
Op 6 augustus 2002 heeft ABN AMRO een ‘margin call’ brief aan [naam 1] gestuurd. Een margin call is een verzoek van de bank om extra geld of onderpand bij te storten op de rekening, wanneer de waarde van de beleggingen (opties) tot een bepaald punt is gedaald en het saldo op de bankrekening daarvoor onvoldoende dekking biedt. In de margin call brief van 6 augustus 2002 staat het volgende:
“Refererend aan ons telefonisch onderhoud van heden bevestigen wij u het volgende.
Wij wijzen u op het feit dat de positie van uw rekening(en) tezamen met de onderpandswaarde van uw effectendepot niet in overeenstemming is met de marginverplichting behorende bij de door u aangegane optiepositie(s). De waarde van uw effectendepot bedraagt op basis van de slotkoersen van 05-08-2002 EUR. 1.170.408,--. De onderpandswaarde van uw effectendepot is derhalve per 05-08-2002 EUR. 819.280,00--. De positie van uw rekening(en) beloopt per 02-08-2002 EUR 179.454,77 DEBET, exclusief lopende rente. De marginverplichting per deze datum bedraag EUR. 802.060,-.
Zoals blijkt uit de optieovereenkomst is het niet toegestaan posities aan te houden, indien hiervoor onvoldoende dekking bij de bank aanwezig is (=onderdekking).
Wij verzoeken u ervoor te zorgen dat op de vierde werkdag na dagtekening van deze brief de onderdekking die er op dat moment is, volledig is opgeheven. Dit betekent dat, ook al is er op een eerder moment dat op de vierde dag geen sprake meer is van onderdekking, hetzij door een actie onzerzijds, hetzij door een gumnstig koersverloop, u desondanks op de vierde dag moet nagaan of er dan nog of weer sprake is van onderdekking. In dat geval moet u die alsnog op dezelfde dag opheffen.
Wij wijzen erop dat bij niet voldoen aan dit verzoek de bank, conform het daaromtrent bepaalde in de Optieovereenkomst overgaat, op de vijfde werkdag na dagtekening van deze brief, tot het voor uw rekening en risico nemen van de maatregelen, waaronder begrepen het verrichten van (sluitings-)aan-en/of verkopen van de (onderlinge) waarden waarop de voor uw rekening geschreven posities betrekking hebben, teneinde volledig evenwicht te brengen tussen enerzijds de marginverplichting(en) als gevolg van de door u aangegane optiepositie(s) en anderzijds de positie van uw rekening(en) tezamen met de onderpandswaarde van uw effectendepot. De bank zal hierbij naar eigen inzicht een selectie maken met betrekking tot de te sluiten posities.
4.20.
Over deze brief 2002 staat in de dagvaarding: “
Opmerkelijk in deze is dat de op de margin call van 6 augustus 2002 de brief aanvangt met: ‘refererend aan ons telefonisch onderhoud van heden’. Dit telefoongesprek (dan wel enig ander (telefoon)gesprek) heeft echter nimmer plaatsgevonden. Als er al een telefonisch onderhoud was, betrof dat een gesprek tussen [eiser] en de heer [naam 3] , maar nimmer met [naam 1] , die in deze brief opeens als contactpersoon wordt bestempeld.” Uit deze brief, althans de opmerking in de dagvaarding, blijkt nogmaals dat ABN AMRO in overleg handelde met [naam 1] , althans [eiser] .
4.21.
Na de eerste margin call brief heeft ABN AMRO nog drie margin call brieven gestuurd, op 4 september 2002, 25 februari 2003 en 7 maart 2003. De tekst van die brieven is vrijwel gelijk aan de brief van 6 augustus 2002, zoals geciteerd onder 4.19. De vier brieven vermelden de volgende tekorten:
  • 6 augustus 2002: € 162.234,77;
  • 4 september 2002: € 53.420;
  • 25 februari 2003: € 42.234,05; en
  • 7 maart 2003: € 2.073.
4.22.
[naam 1] nam geen contact op met ABN AMRO over het dekkingstekort waarvoor zij in de brieven werd gewaarschuwd, maar zij heeft zelf aan de margin calls voldaan door de tekorten aan te zuiveren. Om aan deze margin calls te voldoen heeft [naam 1] volgens [eiser] verschillende middelen aangewend, waaronder in ieder geval:
  • [eiser] heeft op verzoek van zijn moeder beleggingen ter waarde van € 60.000 overgeboekt op de rekening van zijn moeder;
  • de heer [eiser] , de andere zoon van [naam 1] , heeft € 150.000 overgemaakt naar de rekening van zijn moeder;
  • [naam 1] heeft een lening afgesloten bij haar broer, de heer [broer naam 1] , van € 1.500.000;
  • [naam 1] heeft een deel van haar aandelen (“lukraak”) verkocht ter waarde van € 154.000;
  • [naam 1] heeft een lening afgesloten ter waarde van € 250.000 bij Ali Investments;
  • [naam 1] heeft een van haar twee appartementen in Israël op 22 november 2005 verkocht; dat appartement had op 27 april 2022 een waarde van € 894.959.
4.23.
Dat betekent dus dat [eiser] stelt dat [naam 1] ten minste € 2.114.000 aan geld heeft aangewend om aan de margin calls te voldoen en de ontstane tekorten te dekken. De opbrengst van het in 2005 verkochte appartement is niet meegenomen in dit bedrag, omdat uit de stellingen van [eiser] niet duidelijk wordt welke waarde het appartement vertegenwoordigde ten tijde van de verkoop. Daarnaast heeft [naam 1] veel aandelen gedwongen moeten verkopen om te voldoen aan de leningen die zij is aangegaan, waardoor zij veel verliezen heeft geleden. Ook die bedragen zijn nu niet meegenomen in de som van het totaal aangewende geld om aan de schulden te kunnen voldoen. Later in 2014 heeft [naam 1] overigens volgens [eiser] ook nog haar tweede appartement in Israël ter waarde van € 405.000 verkocht om de lening bij Ali Investments af te lossen. Dit bedrag is ook niet meegenomen in de totaalsom van het aangewende geld, maar in principe stelt [eiser] dus dat [naam 1] veel meer dan € 2.114.000 heeft moeten aanwenden.
De vorderingen van [eiser] zijn verjaard
4.24.
ABN AMRO stelt dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW Pro).
4.25.
De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem of haar geleden schade in te stellen. Daarvan is sprake als de benadeelde voldoende zekerheid, die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn, heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval. [3]
4.26.
Dat betekent dat beoordeeld moet worden of de benadeelde ( [naam 1] ) daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op (i) de schade – dus dat nadeel wordt geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van een derde – en (ii) de aansprakelijke persoon. Bij de beoordeling of de benadeelde daadwerkelijk bekend was met het tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon dient de rechter te betrekken of de benadeelde over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen. De Hoge Raad oordeelde verder dat onjuist is dat bij een schending van een zorgplicht door een bank van daadwerkelijke bekendheid van de cliënt met de schade en de aansprakelijke persoon pas sprake kan zijn als de cliënt op de hoogte is van de inhoud van de zorgplicht. Ook zonder bekendheid met de inhoud van de zorgplicht van de bank kan de cliënt voldoende zekerheid hebben dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. [4]
4.27.
Volgens ABN AMRO was [naam 1] op zijn vroegst in 2001 en uiterlijk in 2005 op de hoogte van de schade, omdat zij in die periode voldeed aan de margin calls en daar allerlei middelen voor heeft aangewend ter hoogte van minimaal € 2.114.000.
4.28.
Het verjaringsverweer van ABN AMRO slaagt. [naam 1] (althans [eiser] ) was uiterlijk in 2005 inderdaad bekend met de (gestelde) schade en de aansprakelijke persoon. [naam 1] is toen immers enorme schulden aangegaan om aan de margin calls van ABN AMRO te voldoen. Ook was [naam 1] (althans [eiser] ) in staat om de prestaties van ABN AMRO te beoordelen en met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. Verwezen wordt naar de hiervoor onder 4.17 geciteerde (passages uit) faxbrieven van [naam 1] (althans [eiser] ) aan de bank. In het licht van die passages is het minst genomen opmerkelijk dat [naam 1] (althans [eiser] ) geen vragen heeft gesteld naar aanleiding van de margin calls van ABN AMRO en zonder morren aan die margin calls voldeed.
4.29.
Uit de onder 4.17 geciteerde faxbrieven blijkt ook dat [naam 1] , althans [eiser] , de kennis en het inzicht hadden om de deugdelijkheid van het handelen van de bank te beoordelen
.Dat [naam 1] in 2005 niet wist van het bestaan van een zorgplicht van de bank (en de mogelijke schending daarvan), zoals [eiser] heeft aangevoerd, is in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde toetsingsmaatstaf, zoals hiervoor onder 4.26 weergegeven, niet relevant. Het begrip ‘margindekking’ was haar (althans [eiser] ) bekend en ook over het ‘doorrollen’ van opties schreef zij (hij) zelf. Uit de hele correspondentie blijkt dat [naam 1] (althans [eiser] ) zich geen knollen voor citroenen liet verkopen. Het is dan ongeloofwaardig dat ze zonder meer aan alle margin calls zou hebben voldaan waardoor ze zich – zoals [eiser] stelt – diep in de schulden zou hebben moeten steken.
4.30.
Als – zoals gesteld – [naam 1] dermate grote schulden ter hoogte van minimaal € 2.114.000 is aangegaan om te voldoen aan de margin calls van de ABN AMRO, kan [naam 1] dus bekend worden geacht met die schade op het moment dat zij die middelen heeft aangewend. Het laatste middel dat zij heeft aangewend is de verkoop van een appartement in Israël op 22 november 2005, dus zij was in ieder geval op die datum bekend met de schade die veroorzaakt zou zijn door tekortschietend of foutief handelen van ABN AMRO. Op dat moment is de verjaringstermijn dan ook uiterlijk begonnen te lopen.
4.31.
Volgens [eiser] heeft hij de ABN AMRO voor het eerst aansprakelijk gesteld in een brief van 27 januari 2014, hetgeen door ABN AMRO wordt betwist. Zelfs als deze brief als eerste aansprakelijkheidsstelling kan worden gezien, dan is dat ruimschoots te laat. [naam 1] wordt sinds (uiterlijk) 2005 daadwerkelijk bekend geacht met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde schade en de aansprakelijke persoon. In 2014 was de verjaringstermijn van vijf jaar dus allang verlopen. Dat betekent dat de rechtsvorderingen van [eiser] zijn verjaard en reeds daarom moeten stranden.
[naam 1] , dan wel [eiser] , heeft niet op tijd geklaagd
4.32.
Naast het beroep op verjaring, slaagt in ieder geval ook het beroep op de klachtplicht van ABN AMRO. Als de verjaringstermijn al niet in 2005 is gaan lopen, had [naam 1] op dat moment in ieder geval bij de bank moeten klagen, althans moeten onderzoeken wat er aan de hand was. Dit wordt als volgt nader toegelicht.
4.33.
De klachtplicht houdt in dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. De ratio van de klachtplicht is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, omdat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dat met spoed aan de schuldenaar meedeelt. Bij beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd, is van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. Daarbij moet rekening worden gehouden met enerzijds het ingrijpende gevolg voor de schuldeiser dat zijn rechten komen te vervallen en anderzijds de belangen van de schuldenaar, zoals benadeling van bewijspositie en aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken vormt een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend. [5] De klachttermijn vangt aan op het moment dat de schuldeiser het gebrek ontdekt of had moeten ontdekken.
4.34.
Specifiek voor de klachtplicht in het kader van een zorgplichtschending van de bank in beleggingsadviesrelaties geldt nog het volgende. De bank heeft bij beleggingsadviesrelaties te gelden als professionele dienstverlener. De cliënt heeft doorgaans geen deskundige kennis en weet niet van het bestaan van de zorgplicht. Als de cliënt dat wel weet, mag de cliënt ervan uit gaan dat de bank haar zorgplicht naleeft. Pas als de cliënt van de zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin tekort kan zijn geschoten, begint de onderzoeksplicht bij de cliënt. Dat beleggen naar advies van de bank een tegenvallend rendement heeft of tot verlies lijdt, wijst niet zonder meer op tekortschieten van de bank. Deze enkele omstandigheid behoeft voor de cliënt dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn. [6]
4.35.
[eiser] stelt dat hij voor het eerst (namens zijn moeder) heeft geklaagd in een brief op 27 januari 2014. Daarin schrijft hij dat hij optreedt namens zijn moeder, die “
volledig en plantmatig is opgelicht in het betalen van niet bestaande c.q. door haar aangegane schulden, aankoop van aandelen en gedwongen verkoop van aandelen en het betalen van niet-bestaande rentetarieven”. [eiser] stelt ABN AMRO daarvoor in de brief aansprakelijk.
4.36.
ABN AMRO heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de brief van 27 januari 2014 te onduidelijk is om daar een klacht in te lezen. ABN AMRO wordt gevolgd in dit standpunt. Uit de brief van 27 januari 2014 is niet duidelijk op te maken dat [eiser] protesteert over de gestelde zorgplichtschending in de beleggingsadviesrelatie van ABN AMRO van ongeveer tien jaar daarvoor, namelijk in de periode 2002 tot en met 2005, en de gestelde schulden die toen zijn ontstaan. Daarnaast speelt mee dat in de kortgedingprocedures in 2012 en 2014 geen vorderingen zijn ingesteld die zien op deze gestelde zorgplichtschendingen.
4.37.
Volgens ABN AMRO heeft [eiser] voor het eerst geklaagd in de brief van 21 december 2016. In die brief wordt gesproken over de schending van de zorgplicht in de periode 2002 tot en met 2005, en de gestelde verliezen en schulden die daaruit zijn ontstaan. Omdat ABN AMRO de brief van 21 december 2016 erkent als eerste klacht, wordt die brief als uitgangspunt genomen voor het eerste protest van [eiser] .
4.38.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van de verjaring volgt dat [naam 1] hiermee niet binnen bekwame tijd na het (kunnen) ontdekken van de gestelde schending van de zorgplicht bij ABN AMRO heeft geprotesteerd. Toen [naam 1] zich – zoals [eiser] stelt – in de periode tussen 2002 en 2005 in allerlei bochten heeft moeten wringen om de tekorten op haar bankrekening te dekken en aan de margin calls van ABN AMRO te voldoen, had zij bij de bank moeten protesteren of minst genomen onderzoek moeten doen naar de gang van zaken. [naam 1] heeft dus niet alleen niet geklaagd, maar zij heeft ook geen enkele vraag gesteld aan ABN AMRO en geen onderzoek (laten) verrichten. Dat zij (althans [eiser] ) dat niet heeft gedaan, is onbegrijpelijk gezien haar (zijn) kritische houding ten opzichte van het handelen van de bank, zoals uit de onder 4.17 weergegeven correspondentie blijkt.
4.39.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat [naam 1] geen bezwaar zou hebben gemaakt, omdat zij geen deskundige was en erop vertrouwde dat de margin call een contractuele verplichting was van ABN AMRO. Ook dit kan hem niet baten. Hoewel het in het algemene zin begrijpelijk is dat een cliënt een bepaald vertrouwen heeft in de bank als professionele instelling met een maatschappelijke plicht, gaat dat hier niet op. Allereerst blijkt, zoals hiervoor reeds is overwogen, uit de houding van [naam 1] (althans [eiser] ) tegenover de bank geenszins dat [naam 1] (althans [eiser] ) er zonder meer op vertrouwde dat wat de bank deed, wel goed zou zijn. Bovendien is onbegrijpelijk dat het vertrouwen in de bank dermate groot zou zijn dat het moeten aanwenden van meer dan € 2 miljoen geen aanleiding geeft tot protest of in ieder geval het stellen van vragen, zeker in het licht van de kritische houding van [naam 1] (althans [eiser] ) over bijvoorbeeld (ten onrechte in rekening gebrachte) kosten (zie wederom 4.17).
4.40.
Dat [naam 1] niet heeft geklaagd omdat zij niet
compos mentiszou zijn en haar wil niet kon overzien, zoals ook door [eiser] gesteld, wordt evenmin gevolgd. Over de mentale staat van zijn moeder heeft [eiser] allereerst verschillende en tegenstrijdige standpunten ingenomen. In de dagvaarding licht [eiser] toe dat zijn moeder “nog steeds geheel mentaal in orde is”, terwijl zij op dat moment 95 jaar was. Ook stelt [eiser] dat zij moeder in 2012, ten tijde van de (volgens [eiser] ) ten onrechte niet-uitgevoerde betaalopdrachten probleemloos in staat was (en nog steeds is) om haar wil te bepalen, en dat dit onder meer blijkt uit het feit dat haar rijbewijs is verlengd voor de maximale termijn van vijf jaar. Dit is moeilijk te rijmen met de stelling dat [naam 1] destijds niet fit genoeg was om tijdig te protesteren. Bovendien werd [naam 1] bijgestaan door haar zoon [eiser] , zoals vastgesteld onder 4.16, die in belangrijke mate haar bankzaken voor haar deed.
4.41.
Verder heeft [eiser] nog aangevoerd dat pas na de getuigenverklaringen in 2013 duidelijk werd dat wellicht een schending van de zorgplicht aan de orde was, waardoor het pas vanaf toen mogelijk werd om te klagen. Voor die tijd hield ABN-AMRO namelijk de kaarten tegen de borst en was het niet duidelijk dat er geen overeenkomst aan de dienstverlening ten grondslag lag, aldus [eiser] . Ook hierin wordt [eiser] wordt niet gevolgd. Op het moment dat [naam 1] meer dan € 2 miljoen moest aanwenden om de tekorten te dekken, had zij – zoals eerder al overwogen – moeten protesteren. Voor dit protest was niet nodig dat de grondslag voor een eventuele vordering duidelijk was. Zelfs als [eiser] zou worden gevolgd dat pas in 2013 essentiële onderdelen bekend werden waardoor [naam 1] toen pas kon protesteren, is het moment van klagen alsnog te laat. De tijd tussen de getuigenverhoren en de eerste klacht beslaat dan drie jaar. [eiser] heeft niet verklaard waarom hij – terwijl hij ook toen al geruime tijd werd bijgestaan door advocaten – op dat moment nog drie jaar nodig had om een eerste klacht in te dienen. Ook op grond daarvan wordt geoordeeld wordt dat niet tijdig is geklaagd.
4.42.
Tot slot heeft [eiser] zelf tijdens het getuigenverhoor op 6 december 2013 verklaard dat de volgens hem ten onrechte niet uitgevoerde betaalopdrachten in juli en augustus 2012 bedoeld waren om de verliezen uit de optieposities op te lossen, waarvoor zijn moeder € 1,5 miljoen heeft geleend bij zijn oom. Dat houdt in dat [eiser] zelf in ieder geval in al 2012 bekend was met de schade die zijn moeder had geleden en ook dat deze verband hield met de beleggingen in opties, en dat dit dus niet pas na de getuigenverklaringen van 2013 bekend werd.
4.43.
Door niet tijdig bij ABN AMRO te klagen, is ABN AMRO in haar belangen geschaad. [eiser] en [naam 1] hebben ABN AMRO de mogelijkheid ontnomen om destijds oplossingen voor de problemen aan te dragen. Als [naam 1] in 2005 had aangegeven dat zij twijfelde of het redelijk was dat zij meer dan € 2 miljoen moest aanwenden om de tekorten te dekken, had ABN AMRO kunnen controleren of dat klopte en of [naam 1] inderdaad een dergelijk bedrag heeft aangewend. Mogelijk had ABN AMRO [naam 1] dan kunnen adviseren of informeren over haar financiële positie en de putopties. In plaats daarvan heeft [naam 1] , terwijl zij volgens [eiser] een – gelet op haar financiële positie – exorbitant bedrag heeft moeten aanwenden om schulden te dekken, de schulden en daarmee de schade jarenlang laten oplopen. Ook is door het late klagen ABN AMRO de kans ontnomen om haar handelswijze in die tijd aan te passen en schadebeperkende maatregelen treffen, zoals het adviseren geen nieuwe putopties meer te schrijven. Tot slot is ABN AMRO door het late klagen geschaad in haar mogelijkheid om zich te verweren. ABN AMRO heeft onbetwist gesteld dat zij, mede gelet op de bewaarplicht van documenten, niet meer over alle stukken beschikt en dat veel van de toen betrokken medewerkers niet meer werkzaam zijn bij ABN AMRO. Betrokken werknemers hebben tijdens de getuigenverklaringen van 31 oktober 2013 verklaard dat het toen al moeilijk was om gebeurtenissen van tien jaar geleden te kunnen herinneren. Dat zal nu, weer dertien jaar later, des te meer het geval zijn. Daarmee wordt ABN AMRO in een onmogelijke bewijspositie geplaatst.
4.44.
De conclusie is dat – in het licht van alle omstandigheden van het geval – [naam 1] en/of [eiser] ook niet binnen bekwame tijd hebben geprotesteerd bij ABN AMRO, nadat zij of hij de gebreken heeft ontdekt of had moeten ontdekken. Dit brengt mee dat de vorderingen ten aanzien van de schade die [eiser] heeft geleden door de gestelde zorgplichtschendingen van ABN AMRO ook om die reden zullen worden afgewezen.
(b) De vorderingen die verband houden met de (volgens [eiser] ten onrechte) niet-uitgevoerde betaalopdrachten
4.45.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door de in juli en augustus 2012 gegeven betaalopdrachten niet uit te voeren (“de niet-uitgevoerde betaalopdrachten”), en vergoeding van de schade die daardoor is veroorzaakt.
4.46.
Bij de niet-uitgevoerde betaalopdrachten waren drie rekeningen betrokken:
  • de rekening van [naam 1] eindigend op [nummer 1] (de “ [nummer 1] -rekening”);
  • de gezamenlijke rekening van de broer van [naam 1] (“ [broer naam 1] ”) en haar schoonzus (“ [schoonzus naam 1] ”) eindigend op [nummer 2] (de “ [nummer 2] -rekening”); en
  • de rekening van [broer naam 1] eindigend op [nummer 3] (de “ [nummer 3] -rekening”).
4.47.
[naam 1] had toegang tot haar eigen [nummer 1] -rekening. Daarnaast was zij gemachtigd op de [nummer 2] -rekening en de [nummer 3] -rekening met bijbehorende betaalpassen.
4.48.
In de periode van 17 tot en met 24 juli 2012 is door middel van verschillende uitgevoerde betalingen € 850.000 overgeboekt van de [nummer 1] -rekening van [naam 1] naar de gezamenlijke [nummer 2] -rekening van [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] (samen “ [broer en schoonzus naam 1] ”), onder vermelding van “aflossing lening” of “aflossing schuld”.
4.49.
Vervolgens werd tussen 17 juli 2012 en 24 juli 2012 in verschillende overboekingen € 850.000 overgemaakt van de [nummer 3] -rekening van [broer naam 1] naar een rekening op naam van [eiser] bij ING. De betalingen werden verricht onder vermelding “schuld”. De debetstand op de [nummer 3] -rekening van [broer naam 1] nam daardoor toe tot € 967.000.
4.50.
Op 27 juli 2012 ontving ABN AMRO per fax het volgende bericht:

Alle bovengenoemde rekeningen en bijbehorende portefeuilles dienen te worden opgeheven bij ABN AMRO (…)
VOERT UIT ZONDER VERDER DEBAT OF OVERLEG
1. Boek van de rekening [nummer 2] ( [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] ) het bedrag over naar [nummer 1] wat mw. [naam 1] debet staat met de rente verschuldigd tot de dag van vandaag inclusief transactiekosten aandelen
2. Transfer de aandelenportefeuille van [nummer 1] naar Alex rekening [nummer 4] t.n.v. Alex o.v.v. mw. [naam 1] ,
3. Transfer alle eventuele positieve dollar saldi, eveneens alex rekening [nummer 4] t.n.v. Alex o.v.v. mw. [naam 1] ,
4. Transfer alle euro positieve saldi (+/- één miljoen euro, ik verwacht een overzicht per post) na de opdracht conform punt 1 van de euro rekening [nummer 2] ( [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] ) naar Alex op rekening [nummer 5] t.n.v. [naam 1] (o.v.v. bezit mevrouw [schoonzus naam 1] )
5. Transfer alle positieve dollar saldi (bedrag niet geheel bekend, ik verwacht een overzicht per post) naar naar Alex op rekening [nummer 5] t.n.v. [naam 1] (o.v.v. bezit mevrouw [schoonzus naam 1] )
6. Transfer alle aandelen, obligaties die onder rekening [nummer 2] zijn naar Alex op rekening [nummer 5] t.n.v. [naam 1] (o.v.v. bezit mevrouw [schoonzus naam 1] )
4.51.
De hierboven genoemde betaalopdrachten zijn door ABN AMRO niet uitgevoerd. De uitvoering van deze betaalverzoeken zou betekenen dat het gehele vermogen dat aanwezig was op de rekeningen van [broer en schoonzus naam 1] buiten hun macht zou worden gebracht en dat [broer naam 1] een schuld van ongeveer € 967.000 aan ABN AMRO zou overhouden.
4.52.
ABN AMRO heeft verschillende pogingen ondernomen om in contact te komen met [naam 1] , via telefoon, huisbezoek en brief, maar daar werd afwijzend op gereageerd door [eiser] namens zijn moeder. ABN AMRO heeft op 31 juli 2012 per brief laten weten dat zij alle rekeningen heeft geblokkeerd en dat ABN AMRO geen opdrachten meer zal uitvoeren in afwachting van een bespreking over de ontstane situatie.
4.53.
ABN AMRO ontving tussen 27 juli 2012 en 15 augustus 2012 acht verschillende sommaties van zowel [naam 1] als [schoonzus naam 1] om de betaalopdrachten alsnog uit te voeren, waarin onder meer het volgende is te lezen:

Er zal geen ‘laatste kans’ worden gegeven, het is vandaag maandag 30 juli 2012 afgehandeld zonder nog enige verdere correspondentie in welke vorm dan ook, of de juridische gevolgen – die niet beperkt zijn tot civiele maatregelen, maar duidelijk ook strafrechtelijk die u persoonlijk zullen treffen, aangezien u eigenmachtig handelt en de bank, (indien zij u daarin steunt zij evenmin deze gevolgen kan ontlopen – zullen niet uitblijven.
– brief 30 juli 2012, met handtekening van [naam 1] ,

In regard to your above mentioned letter I hereby inform that my sister Mrs. [naam 1] has full power of attorney on my accounts and that of my wife and acts according to my and my wife’s instructions. (…) Please do not contact me.” – brief van 31 juli 2012, met handtekening van [broer naam 1] ,

VOER UIT ZONDER VERDER DEBAT OF OVERLEG”– brief van 31 juli 2012, met handtekening van [naam 1] ,
“Although me and my wife have stated in my previous fax of 31st of July 2012 that my sisters Mrs. [naam 1] has complete power of attorney, it seems that you do not understand the meaning of the concept, therefore I will spell it out for you, so can execute these instructions exactly as given.
(…) Do not argue, call, contact or debate me in any way, just follow the extreme clear orders as instructed.” – brief van 5 augustus met handtekening van door [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] .
4.54.
In het eerste kort geding vorderde [naam 1] uitvoering van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten en opheffing van de blokkade van de rekeningen. [naam 1] was niet aanwezig bij de zitting, maar [eiser] wel. De voorzieningenrechter oordeelde in het vonnis van 2 oktober 2012 als volgt:

Gelet op de ingrijpende consequenties van de uitvoering van de op 27 juli 2012 verstrekte opdrachten, is begrijpelijk dat ABN Amro zich er van wenst te vergewissen of de betaalopdrachten bevoegdelijk zijn gegeven. [naam 1] heeft aangevoerd dat dit blijkt uit de diverse door haar gegeven schriftelijke opdrachten, welke bovendien door [broer en schoonzus naam 1] zijn bevestigd. ABN Amro wordt echter gevolgd in haar betoog dat zij op dit moment onvoldoende zekerheid heeft dat de overboekingen en betalingsopdrachten daadwerkelijke met volle medeweten en overeenkomstig haar wil zijn verstrekt door [naam 1] , die bijna 85 jaar oud is. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat het ABN Amro kennelijk niet is toegestaan om persoonlijk contact te krijgen met [naam 1] teneinde de opdrachten te kunnen verifiëren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ABN Amro op goede gronden heeft geweigerd om uitvoering te geven aan de verstrekkende opdrachten van 27 juli 2012 alvorens zich ervan heeft kunnen vergewissen dat deze opdrachten daadwerkelijk overeenstemmen met de wensen van [naam 1] en [broer en schoonzus naam 1] ”
4.55.
Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
4.56.
In de periode die daarop volgde, van mei 2013 tot en met december 2013, ontving ABN AMRO verschillende berichten van zowel [eiser] , als [broer en schoonzus naam 1] over de volmachten op de [nummer 3] -rekening en [nummer 2] -rekening. Dat betreft – samengevat – de volgende berichten:
  • Op 2 mei 2013 stuurt [eiser] een brief aan ABN AMRO waarin hij verklaart “volledig gemachtigde” te zijn op de rekeningen van [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] , waaronder dus de [nummer 3] -rekening en [nummer 2] -rekening.
  • Na telefonisch overleg met ABN AMRO, faxten [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] de volgende verklaring op 24 september 2013 naar ABN AMRO: “
  • Op 19 oktober 2013 ontving ABN AMRO een brief van [eiser] , waarin onder meer het volgende staat: “
  • Op 23 oktober 2013 bevestigden [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] aan ABN AMRO de intrekking van de volmachten op de [nummer 3] - en [nummer 2] -rekening door middel van een schriftelijke ondertekende verklaring: “
  • Op 24 oktober 2013 liet ABN AMRO aan [eiser] weten dat de bank geen gehoor zou geven aan de sommaties van 19 oktober 2013, gelet op de schriftelijke intrekking van de volmachten door [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] van 23 oktober 2013.
4.57.
Op 31 oktober en 6 december 2013 hebben op verzoek van [naam 1] getuigenverhoren plaatsgevonden. In die getuigenverhoren werd duidelijk (zoals ook hiervoor onder 4.16 reeds overwogen) dat [eiser] zelf een grote rol speelt bij de bankzaken van zijn moeder, evenals bij de niet-uitgevoerde betaalopdrachten. Zo verklaarde [naam 1] dat zij nooit transacties verricht via internetbankieren en dat zij niet meer wist of zij op de hoogte was van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten, of wat er voorafging aan de overboekingen van € 850.000 tussen 12 juli en 27 juli 2012. [eiser] verklaarde dat hij de pincode van de bankpassen van zijn moeder kende en daarmee transacties kon verrichten via internetbankieren. Ook verklaarde hij dat hij zelf de tekst van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten had opgesteld en had laten ondertekenen door zijn moeder.
4.58.
In het tweede kort geding vorderde [naam 1] , onder andere, wederom uitvoering van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten. Ook bij deze mondelinge behandeling van dit kort geding was [naam 1] zelf niet aanwezig, maar [eiser] wel. In het vonnis van 14 mei 2014 oordeelde de voorzieningenrechter als volgt:

Vooropgesteld wordt dat uitvoering van de betalingsverzoeken, zoals vervat in de brief van 27 juli 2012, zou betekenen dat het gehele op de rekeningen van [broer en schoonzus naam 1] aanwezige vermogen buiten hun macht zou worden gebracht en dat [broer naam 1] op de [nummer 3] -rekening een schuld van circa 967.000,- aan de Bank zou overhouden. Gelet op de zeer kort daarvoor verrichte creditering van de [nummer 2] -rekening met een bedrag van € 850.000,- vanaf de [nummer 1] -rekening, onder gelijktijdige debitering van de [nummer 3] -rekening met een bedrag van gelijke omvang, met behulp van een aan [naam 1] afgegeven bankpas, ten gunste van een rekening op naam van [eiser] , mocht – en moest – de Bank naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerede twijfel hebben of [naam 1] en [broer en schoonzus naam 1] de nadelige gevolgen die uitvoering van de in de brief van 27 juli 2012 gegeven opdrachten voor [broer en schoonzus naam 1] zouden hebben kenden en daadwerkelijk beoogden.
(…)
Uit de verklaring van [naam 1] komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het beeld naar voren van een persoon die exact op de hoogte was van (de inhoud van) alle transacties die onder de volmacht hebben plaatsgevonden. Alhoewel [naam 1] heeft verklaard dat zij de opdrachten in de brief van 27 juli 2012 kende en heeft gegeven en ook haar broer en schoonzus van de transacties op de hoogte waren, moeten bij de juistheid van deze verklaring, gelet op de tegenstrijdigheden die haar verklaring op overige, essentiële punten bevat, alsmede op haar onvermogen omtrent de transacties rondom de periode van 17 juli tot 24 juli 2012 informatie te verschaffen – waarbij zij voor verdere informatie heeft verwezen naar haar zoon [eiser] – vraagtekens worden geplaatst. Dat haar broer en schoonzus van alle transacties op de hoogte waren is door hen beiden uitdrukkelijk ontkend tegenover de bank. Veeleer komt uit de verklaring, in zijn totaliteit bezien, het beeld naar voren van een persoon die in dezen haar belangen in grote mate heeft laten behartigen door haar zoon [eiser] en van de exacte gang van zaken, het bestaan en de inhoud van de verscheidene transacties en de op 27 juli 2102 gegeven betalingsopdrachten hoogstens zijdelings op de hoogte was.
4.59.
Ook tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
4.60.
In deze procedure vordert [eiser] een verklaring voor recht dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn moeder door de betaalopdrachten in juli en augustus 2012 niet uit te voeren, inclusief schadevergoeding.
4.61.
Op grond van hetgeen tijdens de kortgedingsprocedures in 2012 en 2014 bekend
was, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen destijds afgewezen. De rechtbank volgt
hetgeen de voorzieningenrechters in 2012 en 2014 op grond van die informatie,
hebben geoordeeld. De vraag is dan welke nieuwe feiten in de tussentijd aan het licht zijn
gekomen of welke nieuwe stellingen [eiser] heeft ingenomen, die kunnen leiden tot een ander
oordeel dan het laatste oordeel van de voorzieningenrechter van 14 mei 2014.
4.62.
Voor wat betreft de kennis van [broer en schoonzus naam 1] over de niet-uitgevoerde betaalopdrachten en (het intrekken van) de volmachten, geldt het volgende. [eiser] heeft geen nieuwe stukken overgelegd ten opzichte van het vonnis van 14 mei 2014 en zoals hiervoor vermeld onder 4.58. Dat de voorzieningenrechter geen acht heeft geslagen op de brieven van 31 juli 2012 en 5 augustus 2012 van [broer en schoonzus naam 1] , zoals [eiser] nu in de dagvaarding stelt, snijdt geen hout. Beide brieven worden in beide vonnissen genoemd en meegenomen in het oordeel van de voorzieningenrechters.
4.63.
In de dagvaarding stelt [eiser] voor het eerst aan de orde dat hij twijfelt aan de echtheid van de intrekking van de volmacht van [broer en schoonzus naam 1] , door de lay-out van de intrekking, tekstopbouw en de formulering, die afwijkt van een door hem zelf opgestelde tekst. Deze twijfel, die nu pas in de derde procedure over ditzelfde onderwerp opgebracht wordt, wordt niet gevolgd. ABN AMRO heeft meermaals telefonisch contact gehad met [broer en schoonzus naam 1] , waarna [broer en schoonzus naam 1] twee keer schriftelijk hebben bevestigd dat de volmachten van [naam 1] en/of [eiser] van hun rekening verwijderd moeten worden. Daarmee staat voldoende vast dat [broer en schoonzus naam 1] de volmacht van [naam 1] op hun rekening hebben ingetrokken.
4.64.
Bovendien stelt [eiser] dat de intrekking van de volmacht gericht zou moeten zijn aan [naam 1] en niet aan ABN AMRO, waardoor de intrekking niet geldig is. Ook dit argument kan [eiser] niet baten. [naam 1] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat haar broer haar telefonisch op de hoogte heeft gesteld van de intrekking van de volmacht. Ongeacht of de intrekking wel of niet aan ABN AMRO gericht moest zijn, mocht ABN AMRO door het intrekken van de volmachten gerede twijfel hebben aan de betaalopdrachten, zoals ook door de voorzieningenrechters is geoordeeld in 2012 en 2014.
4.65.
Verder voert [eiser] nu in de dagvaarding aan dat de slechts één van de volmachten is ingetrokken, omdat in de brief van 23 oktober 2013 het volgende staat: “
Hereby we revoke any power of attorney we gave in the past to Mrs. [naam 1] or Mr. [eiser] ”. Dat er “or” staat en niet “and” betekent niet dat slechts een van de twee volmachten wordt ingetrokken. In het licht van de eerdere brief van 24 september 2013, waarin [broer en schoonzus naam 1] verklaren dat zij de enige eigenaren van de rekening zijn en niemand anders toestemming heeft om iets te doen op hun account, is het duidelijk dat in de brief van 23 oktober 2013 ook wordt bedoeld dat de volmachten van zowel [naam 1] als [eiser] , voor zover [eiser] gemachtigd was op hun rekening, moeten worden verwijderd van de rekening. Dat de volmacht “onherroepelijk” zou zijn, zoals door [eiser] gesteld, is een ondeugdelijk argument, ook in het licht van de bewoording van [broer en schoonzus naam 1] bij de intrekking van de volmacht. Ook de affidavits van [broer naam 1] en [schoonzus naam 1] , die [eiser] heeft overgelegd, staat niets waaruit blijkt dat zij het eens waren met de niet-uitgevoerde betaalopdrachten.
4.66.
In de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure is de toedracht van de niet-uitgevoerde betalingsopdrachten verder toegelicht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ABN AMRO daarover opgemerkt dat, voor zover met deze toelichting wordt betoogd dat de vonnissen van de voorzieningenrechters in 2012 en 2014 niet juist waren omdat zij niet bekend waren met deze toedracht, geldt dat die toedracht de beslissing van ABN AMRO om de betaalopdrachten niet uit te voeren niet verandert. Sterker nog, als ABN AMRO in de zomer van 2012 had geweten wat de werkelijke toedracht van de overboekingen was, namelijk dat [eiser] voornamelijk de opdrachten had verricht en dat zijn moeder hier niet (volledig) van op de hoogte was, dan had ABN AMRO al veel sneller de betalingen geblokkeerd, aldus ABN AMRO. In de dagvaarding stelt [eiser] dat [naam 1] niet op de hoogte was van de overboekingen die zijn verricht door [broer naam 1] op de rekening van [eiser] zelf. De toelichting van de toedracht door [eiser] bevestigt aldus juist het beeld dat in de vonnissen van 2012 en 2014 reeds is geschetst, namelijk dat [naam 1] haar belangen in grote mate heeft laten behartigen door haar zoon en dat zij niet op de hoogte was van de exacte gang van zaken, het bestaan en de inhoud van de verscheidene transacties. Terecht heeft ABN AMRO dan ook aangevoerd dat, als de toedracht destijds bekend was geweest, zij des te meer reden had gehad om de opdrachten niet uit te voeren.
4.67.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiser] desgevraagd gesteld dat de argumenten over de toepasselijkheid van de Algemene Bankvoorwaarden en de compensatieovereenkomsten nieuw zijn ten opzichte van de kortgedingprocedures in 2012 en 2014. Het bestaan en de toepasselijkheid van de Algemene Bankvoorwaarden en de compensatieovereenkomsten hebben te maken met het verrekenen van de saldi en het beëindigen van de bankrelatie. In die zin hebben de argumenten over de toepasselijkheid van de Algemene Bankvoorwaarden en het bestaan van compensatieovereenkomsten niets te maken met de niet-uitgevoerde betaalopdrachten, waardoor ook daardoor het feitencomplex voor de beoordeling van deze vorderingen niet is veranderd.
4.68.
De conclusie is dan ook – weer en nog steeds – dat ABN AMRO niet tekort is geschoten in haar zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door de betaalopdrachten in juli en augustus 2012 niet uit te voeren. Voor zover [eiser] heeft in deze procedure nieuwe of anders geformuleerde stellingen heeft proberen in te nemen, werpen deze geen ander licht op de kwestie, zoals hierboven toegelicht. In lijn met het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 mei 2014, mocht – en moest – ABN AMRO gerede twijfel hebben of [naam 1] en [broer en schoonzus naam 1] de nadelige gevolgen van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten voor [broer en schoonzus naam 1] kenden en daadwerkelijk beoogden. Het beeld dat [naam 1] niet (exact) op de hoogte was van de inhoud van de transacties en dat zij haar belangen in grote mate heeft laten behartigen door haar zoon [eiser] , blijft staan. De vordering tot een verklaring voor recht dat ABN AMRO is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] zal dus worden afgewezen, evenals de gevorderde schade.
(iii) De vorderingen die verband houden met de beëindiging van de bankrelatie
4.69.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat ABN AMRO is tekortgeschoten in haar zorgplicht en/of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam 1] door ten onrechte over te gaan tot blokkering en beëindiging van de bankrekeningen van [naam 1] , met veroordeling van ABN AMRO in de schade die daardoor is veroorzaakt.
4.70.
Nadat ABN AMRO had geweigerd om de betaalopdrachten van 27 juli 2012 uit te voeren, heeft de bank de betrokken rekeningen, waaronder de [nummer 1] -rekening van [naam 1] , geblokkeerd. ABN AMRO heeft meermaals geprobeerd om met [naam 1] in contact te komen over de transacties in de periode van 17 tot en met 24 juli 2012 en de niet-uitgevoerde betaalopdrachten. ABN AMRO heeft telefonisch contact gezocht met [naam 1] , waarbij [eiser] steeds namens zijn moeder het woord voerde. Een medewerker van ABN AMRO heeft toen uitgelegd dat de rekeningen geblokkeerd zijn gelet op de niet-uitgevoerde betaalopdrachten, en dat de rekening pas gedeblokkeerd kan worden nadat de situatie was besproken met [naam 1] . [eiser] wijst dit verzoek af. In een door [eiser] overgelegd audiobestand van een telefoongesprek tussen hemzelf en een medewerker van ABN AMRO, is de volgende afwijzing van [eiser] te horen:

Ik wil helemaal geen afspraak met u maken en mijn moeder ook niet. (…) Waar bemoeit u zich mee? (…) Het gaat u niets aan. (…) Ik ben niet van plan, mijn moeder is niet van plan om over haar eigen geld met u te debatteren. Of u deblokkeert de kaart in de zin dat ze gewoon geld kan overmaken of we zijn weg. Het is heel simpel.
4.71.
Medewerkers van ABN AMRO zijn op 30 juli 2012 aan de deur geweest bij [naam 1] in een poging met haar te spreken, ook zonder succes.
4.72.
Daarna heeft ABN AMRO op 31 juli 2012 een brief gestuurd aan [naam 1] , waarin de bank mededeelt dat de rekeningen die betrokken waren bij de transacties tussen 17 en 24 juli 2012 zijn geblokkeerd. Voor [naam 1] is dat dus de [nummer 1] -rekening. Ook die brief werd aan de deur geweigerd en retour gezonden.
4.73.
In de eerste kortgedingprocedure in 2012 vorderde [naam 1] opheffing van de blokkades van de rekeningen om de niet-uitgevoerde betaalopdrachten alsnog uit te kunnen voeren. Dit werd door de voorzieningenrechter afgewezen, omdat ABN AMRO onvoldoende zekerheid had dat de overboekingen en betalingsopdrachten daadwerkelijk met volle medeweten en overeenkomstig de wil van [naam 1] waren verstrekt. De voorzieningenrechter achtte daarbij van belang dat het ABN AMRO kennelijk niet is toegestaan om persoonlijk contact te krijgen met [naam 1] om de opdrachten te verifiëren.
4.74.
Begin 2014 kondigde de advocaat van [eiser] een nieuw kort geding aan om de blokkades op te heffen en de uitvoering van de niet-uitgevoerde betaalopdrachten af te dwingen. In reactie daarop heeft de advocaat van ABN AMRO een e-mail gestuurd aan [naam 1] , waarin hij aankondigt dat ABN AMRO de bancaire relatie met haar wenst te beëindigen. De beëindiging van de bancaire relatie en het sluiten van de [nummer 1] -rekening is daarna op 25 februari 2014 in een brief aan [naam 1] bevestigd. ABN AMRO heeft in de brief toegelicht dat zij voornemens is om het debetsaldo op de [nummer 1] -rekening te verrekenen met het positieve saldo op de aan de [nummer 1] -rekening gekoppelde dollarrekening (na omzetting van dat saldo in euro’s) en het eventuele restant te voldoen door verkoop van het als dekking voor de rekeningen aangehouden effectendepot, waarna de resterende aandelen zullen worden overgeboekt naar een Alex-rekening van [naam 1] en de relatie als beëindigd zal worden beschouwd.
4.75.
ABN AMRO heeft vervolgens inderdaad het debetsaldo op de [nummer 1] -rekening vereffend door verkoop van (een deel van) de tegoeden op de dollarrekening, waarna het restant alsmede de aan de [nummer 1] -rekening gekoppelde effectenportefeuille zijn overgemaakt naar een Alex-rekening van [naam 1] en de [nummer 1] -rekening is gesloten.
4.76.
In de tweede kortgedingprocedure in 2014 vorderde [naam 1] veroordeling van ABN AMRO tot het opheffen van de blokkades en het ongedaan maken van de beëindiging van de bankrelatie, om zo de betalingsopdrachten van 27 juli 2012 alsnog uit te kunnen voeren. De voorzieningenrechter oordeelde op 14 mei 2014 als volgt:

De conclusie uit het voorgaande is dat de Bank de opdrachten van 27 juli 2012 naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook als rekening wordt gehouden met de afgelegde getuigenverklaringen op goede gronden heeft geweigerd, zodat de vorderingen ook bij de huidige stand van zaken niet toewijsbaar zijn.
4.77.
De eerdere oordelen van de voorzieningenrechter in 2012 en 2014 zijn juist en de rechtbank neemt die over. Nu [eiser] in deze procedure wederom de blokkades en beëindiging van de bankrelatie aan de orde stelt in zijn vorderingen, is ook hier de vraag in welk opzicht [eiser] nieuwe feiten heeft gesteld die kunnen leiden tot een ander oordeel ten opzichte van de vonnissen van 2 oktober 2012 en 14 mei 2014.
4.78.
In de dagvaarding stelt [eiser] dat de beëindiging van de bankrelatie onzorgvuldig was, omdat [naam 1] bezwaar heeft gemaakt tegen de verkoop van haar effecten. Dit argument wordt niet gevolgd. In de opzeggingsbrief van 25 februari 2014 heeft ABN AMRO aangegeven dat zij over zou gaan tot verkoop van de aandelen, tenzij [naam 1] tijdig een werkbare andersluidende instructie zou verstrekken. Op 28 februari 2014 ontving ABN AMRO toen een brief, ondertekend door [naam 1] , dat ABN AMRO “
voor 13 maart van mij respectievelijk mijn zoon, de exacte instructies [zal] ontvangen, deze zullen echter in totale tegenspraak zijn met wat de bank voorstelt”. [naam 1] heeft echter, ook na verschillende verzoeken van ABN AMRO, geen instructies meer gegeven, waarna ABN AMRO over is gegaan tot de verkoop van de aandelen. Om diezelfde reden kan ABN AMRO niet worden verweten dat zij het saldo heeft verrekend, de aandelen heeft verkocht en het restant heeft overgemaakt op de Alex-rekening van [naam 1] .
4.79.
Los van de vraag of ABN AMRO de bankrelatie mocht opzeggen, wat door de voorzieningenrechter in 2014 al is bevestigd en waarvoor [eiser] in deze procedure geen nieuwe feiten heeft aangevoerd, geldt dat de bankrelatie, ook los van de vraag of de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing zijn, opgezegd mag worden, mits dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. In deze situatie, met het vele procederen en de onmogelijkheid om in contact te treden met [naam 1] , heeft ABN AMRO terecht gesteld dat sprake was van een evidente vertrouwensbreuk, waardoor van ABN AMRO niet kon worden gevergd de bankrelatie in stand te houden.
4.80.
De vordering van een verklaring voor recht dat ABN AMRO ten onrechte over is gegaan tot blokkering van de rekening en beëindiging van de bankrekening van [naam 1] zal op grond van het bovenstaande dus ook worden afgewezen, evenals de gevorderde schade.
(iv) Overige vorderingen
4.81.
De overige vorderingen van [eiser] zijn vorderingen tot betaling van kosten die [eiser] heeft gemaakt ter verkrijging van zijn recht. Het gaat om kosten die gemaakt zijn voor de schadeberekening ten aanzien van de appartementen in Israël door de heer [naam 4] , de schadeberekening door het accountantskantoor Slof & Wildenburg, de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, kosten die verband houden met het voorlopig getuigenverhoor in 2013 en de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.
4.82.
Nu de hoofdvorderingen worden afgewezen, heeft [eiser] geen recht op vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt ter verkrijging van zijn recht. Deze vorderingen worden daarom afgewezen.
Geen afwijzing van vordering of niet-ontvankelijk verklaring wegens processtrategie
4.83.
ABN AMRO stelt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, althans dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, vanwege zijn processtrategie. ABN AMRO wijst daarbij onder meer op de voorgeschiedenis van deze zaak en de leugenachtige en onvolledige wijze waarop stellingen worden gepresenteerd (waar hierna vanaf 4.84 op in zal worden gegaan). Het gaat de rechtbank te ver om de vorderingen van [eiser] om die redenen af te wijzen dan wel [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren. Er is wel aanleiding om [eiser] te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Dat wordt hieronder toegelicht.
Vergoeding werkelijke proceskosten
4.84.
ABN AMRO vordert veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten in plaats van een veroordeling op basis van het gebruikelijke liquidatietarief. Een dergelijke vordering komt slechts voor toewijzing in aanmerking als de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure te beginnen. In lid 2 van artikel 3:13 BW Pro worden drie gevallen genoemd wanneer sprake is van misbruik van bevoegdheid. Een van die gevallen is wanneer de aangesprokene in redelijkheid niet tot uitoefening van een bevoegdheid had kunnen komen, met in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad.
4.85.
Het procesrecht voorziet in de bevoegdheid geschillen ter beslechting aan de rechter voor te leggen in het kader van een procedure. Ter bepaling of de uitoefening van die bevoegdheid misbruik van bevoegdheid oplevert kan ook gebruik worden gemaakt van de hierboven genoemde onevenredigheidsmaatstaf. Bij de toepassing van die maatstaf zal in aanmerking moeten worden genomen het in artikel 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijk proces, waarin mede besloten ligt het recht op toegang tot de rechter. Gelet op dit recht op toegang tot de rechter past het om terughoudendheid te betrachten met het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure. De Hoge Raad heeft het criterium zo ingevuld dat van misbruik van procesrecht pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [7]
4.86.
ABN AMRO stelt dat de vorderingen van [eiser] erop zijn gericht ABN AMRO tot het uiterste te schaden. ABN AMRO stelt terecht dat [eiser] weinig mogelijkheden onbenut laat om ABN AMRO in een juridisch proces te betrekken. De eerste procedure in 2005 was een kortgedingprocedure van Mediscan, waar [eiser] bestuurder en UBO is, tegen ABN AMRO waarbij uitbetaling van een (reeds betaalde) bankgarantie werd gevorderd. Mediscan is, na verwijzing van de kantonrechter naar de rechtbank Amsterdam, niet verschenen en op verzoek van ABN AMRO is ontslag van instantie verleend. Ondanks dat [eiser] daarmee de kans liet lopen om zijn gestelde recht te verkrijgen, legt [eiser] zich hier nog steeds niet bij neer, zo blijkt uit de vele brieven en e-mails die [eiser] heeft verstuurd aan ABN AMRO. Zo ontving ABN AMRO de volgende brieven:

I am sure you remember me so an introduction is unnecessary. As you recall about 16 months ago I claimed a legal binding contract with the ABN-AMRO bank, called a “bank-guarantee” issued by that bank.” – brief van [eiser] aan ABN AMRO van 18 maart 2009

Mocht u dan wel de bank van mening zijn dat u niet van plan bent de bankgarantie uit te keren, dan zal een langdurige procedure bij het Europees Hof, noodzakelijk en uitgevoerd worden (…). Ik hoop dat dit alles zonder jarenlange procedures kan worden afgehandeld.
citaat in de conclusie van antwoord op pagina 7.
4.87.
In 2011 werd derdenbeslag gelegd onder ABN AMRO bij de rekeningen van [naam 1] en abusievelijk op de rekening van [broer naam 1] . Ondanks dat het beslag op de rekening van [broer naam 1] direct werd opgeheven, heeft [eiser] hierover een klacht ingediend namens [naam 1] en [broer en schoonzus naam 1] bij de Ombudsman Financiële Dienstverlening bij het Kifid, waar [eiser] niet-ontvankelijk werd verklaard. Daarna diende [eiser] als bezwaar een klacht in bij de Geschillencommissie bij het Kifid, welke werd afgewezen.
4.88.
Zoals al toegelicht in dit vonnis, heeft [naam 1] twee kortgedingprocedures aanhangig in 2012 en 2014, waarbij alleen [eiser] namens zijn moeder aanwezig was. In beide gevallen werden die vorderingen afgewezen. Nu, bijna twaalf jaar later, dient [eiser] opnieuw dezelfde vorderingen in, zonder dat het feitencomplex is gewijzigd.
4.89.
In 2017 heeft [eiser] meerdere tuchtklachten ingediend tegen de advocaten van ABN AMRO, waarin [eiser] steeds niet-ontvankelijk werd verklaard. Ook heeft [eiser] meermaals aangifte gedaan tegen de CEO van ABN AMRO, zes (ex-)medewerkers van ABN AMRO en tegen diens advocaten.
4.90.
Deze gang van zaken maakt dat in deze procedure wordt stilgestaan bij de vraag of het [eiser] nu werkelijk te doen is om gebruik te maken van zijn recht om zijn belangen (of eigenlijk postuum die van zijn moeder) aan de rechter voor te leggen en diens beslissing te verkrijgen, of dat hij met deze voorliggende procedure vooral ABN AMRO wil schaden. Dat laatste lijkt, gelet op de uitlatingen van [eiser] , vooral het geval. Het volgende citaat spreekt boekdelen over de intenties van [eiser] :

Een advocaat leest 3 pagina’s per uur dus 65 uur voor het de hele dagvaarding van die 200 pagina’s is een groot gedeelte niet relevant om te weerleggen ze beschrijven een situatie, dat mijn vader aan de morfine was, dat mijn ouders in Israël woonden, dat mijn moeder heeft nimmer kontakt heeft gehad met de bank (…).” – citaat in conclusie van antwoord op pagina 13.
4.91.
ABN AMRO heeft een selectie gemaakt uit een grote hoeveelheid uitlatingen van [eiser] jegens ABN AMRO, uit welke selectie hieronder een klein deel wordt geciteerd:

Ik heb het geld, de tijd en de stamina om dit ongelimiteerd vol te houden (…). Ik pik niks van niemand en niemand pikt niks van mij, en wie dat anders ziet moet bereidt zijn de consequenties ervan te dragen (…). Ik ga er immers vanuit dat alle procedures met de ABN-AMRO, zowel namens mijzelf, mijn onderneming, de partijen voor wie ik gemachtigd ben alsmede claimstichting – die ik heb opgezet en volledig uit eigen middelen financier, ongelimiteerd qua tijd en kosten – ten behoeve van ‘preferred’, ‘private’ & private wealth ‘cliënten van de ABN-AMRO tussen de 20 en 30 jaar in beslag zullen nemen en dat is conservatief ingeschat (ik verwijs nogmaals de tijd gespendeerd aan de door de ABN-AMRO afgegeven bankgarantie), aangezien ik alle procedures sequentieel ga voeren, dat is slecht nieuws voor de ABN-AMRO maar goed nieuws voor de NautaDutilh, immers ik ga ervan uit datikplusminus € 1000,- per dag aan advocaten kwijt zal zijn en op jaarbasis ruim drie ton, de ABN-AMRO kan – weliswaar met andermans geld, t.w. de belastingbetaler – mij matchen euro voor euro, zonder dat het enig effect heeft op eender onze financiële reserves en gezien het tarief bij NautaDutilh mogelijk het dubbel is dan wat ik betaal, ofwel anders gesteld: partijen gaan de komende decennia een miljoen euro per jaar spenderen om elkaar kapot te maken, echter ik heb niets te verliezen en alles te winnen (…). Zoals al eerder gesteld (…) ben ik bereidt onevenredig veel tijd en kosten te spenderen, de ABN-AMRO evenals NautaDutilh kan dan zelf wel uitmaken danwel inschatten hoever ik wel niet bereidt ben te gaan (…). Er is geen weg meer terug, onderhandelingen zullen niet plaatsvinden, dit wordt tot op het bot en tot in het merg uitgevochten “de teerling is geworpen: alea acta est”. – pleitnota van [eiser] in de tuchtprocedure in 2018 en de advocaten van ABN AMRO.
- “ “
Beschouwt u de overlegde spreeknotities maar als een ‘oorlogsverklaring’, mocht u van mening zijn dat wat daar gesteld en gegarandeerd wordt gebaseerd is op bluf en grootspraak, dan heb ik daar maar één woord op te zeggen en tegenin te brengen: “ [bedrijf] B.V.” – ( [bedrijf] B.V. is een besloten vennootschap waar [eiser] enig bestuurder en aandeelhouder van is) – brief van 23 april 2018 van [eiser] aan ABN AMRO en DNB na afloop van de zitting in de tuchtprocedure tegen de advocaten van ABN AMRO,
- “ “
The only protection you and your family have now from the mobs in the streets is your relative anonymity, an asset which is very valuable today. Mr. [naam 8] is according to the newspaper in hiding because he fears the retaliation which could go any way: either lawsuit or somebody murders him. So now is the time to make a rational decision. You can pay me (plus interest and some legal fees) out of your own pocket (that’s still 2,5 million minus a little) or face the public and years of hunting (you will bet he hunted one) and lose everything.” – brief van [eiser] in oktober 2008 aan de toenmalige CEO van (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO.
- “ “
Het feit dat ik aangeef in mijn verweer dat ook mijn moeder haar klachten op eigen titel zal indienen, heeft te maken met het feit dat [de raadsheren van de Bank] er kennelijk een sadistisch pervers genoegen erin scheppen door mij gekleineerd te worden en de les te worden gelezen, maar er geen genoegen van kunnen krijgen en expliciet nog om een verbale afranseling van mijn moeder vragen” – tekst opgenomen in het verzet in 2017 tegen de afgewezen tuchtklachten.
- “(…) “
(…) welnu ongeacht wat de beslissing van de voorzitter ook zal zijn, de genoemde advocaten zullen bij een afwijzing van mijn verzoek en een toewijzing van hun verzoek, zich toch moeten verweren bij de Raad van Discipline eenvoudigweg omdat na de betekening van de inmiddels bijna 280 pagina’s grote dagvaarding met ruim 150 bijlagen, het repliek hierop, zal bestaan uit alles wat reeds eerder is ingebracht door genoemde advocaten (…) waarvan de klachten reeds zijn ingediend, echter zodra van repliek is gediend, zijn alle klachten ‘nieuw’ en dien ik wederom alles in wat u reeds in uw bezit heeft over deze kwesties.” – brief van 6 september 2017 aan de Raad van Discipline.
- “ “
Mocht u dan wel de bank van mening zijn dat u niet van plan bent de bankgarantie uit te keren, dan zal een langdurige procedure bij het Europese Hof, noodzakelijk en uitgevoerd worden” – citaat in de conclusie van antwoord op pagina 7.
- “ “
Bijgevoegd een procedure tegen ICS cards (100% dochter van ABN-AMRO), de implicaties kunnen mogelijk desastreus zijn, ik ben er in ieder geval bereidt tijd en geld in te steken, zonder dat ik er een cent aan verdien, kunt u nagaan hoeveel tijd in geld ik wel niet bereidt ben te steken in de zaken waar ik wel aan ga verdienen, danwel mijn eigen geld terugkrijg met het behaalde rendement” – e-mail van 1 oktober 2020 van [eiser] aan de advocaten van ABN AMRO.
- “ “
Voor alle duidelijkheid de betaling van € 350.000,- (specificaties zullen beschikbaar worden gesteld) garanderen niets, zelfs niet een gesprek u koopt slechts goodwill, u moet het zien als het startgeld van een sportman voor een toernooi, maar zonder deze betaling heeft u wel een andere garantie, namelijk dat er onbeperkt wordt geprocedeerd tot het einde der tijden.” – brief van 11 oktober 2018 van [eiser] aan ABN AMRO en haar advocaten.
4.92.
Zelfs na het uitbrengen van de dagvaarding en tot kort voor de mondelinge behandeling, heeft [eiser] regelmatig berichten aan ABN AMRO gestuurd, waarvan hieronder wederom een selectie volgt:
- “ “
I cannot take revenge at the NAZIS, but I can take back what was stolen from me by the ABN-AMRO, whatever it takes and whatever collateral damages the bank will suffer, I will act rückschtslos, I have the means, time, stamina and intelligence to do so. Never Again has a different meaning to me than to the rest of the Jewish population, let that be clear to you and the ABN-AMRO N.V.” – in een e-mail van [eiser] aan de CEO van ABN-AMRO van 21 mei 2025.
- “ “
I am sure it is great public relations for the bank, robbing a 83 year widowed old holocaust victim from all her assets, drag her into complete bullshit legal procedings for 13 years, costing millions (which I can pay) just to find out that there are hundreds if not thousands more who trough their children can state their (same) claim (which I will finance).” – e-mail van 14 juli 2025 van [eiser] aan de CEO van ABN AMRO.
- “ “
Kortom ‘Alae Acta Est’, ik zal een class action suit tegen ABN-AMRO instellen” – een e-mail van 4 november 2025 [eiser] aan de CEO van ABN AMRO.
4.93.
Uit deze grote hoeveelheid citaten, die slechts een selectie zijn uit de vele berichten van [eiser] , kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat het [eiser] voornamelijk is te doen om langdurig tegen ABN AMRO te procederen, in ieder geval om ABN AMRO op kosten te jagen. Bovendien voert [eiser] een zeer dreigende toon. De toon van [eiser] werd op een bepaald moment dermate dreigend dat een voormalig CEO van (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO aangifte tegen hem heeft gedaan, nadat zij brieven van [eiser] had ontvangen op haar privéadres. Ook zoekt [eiser] veelvuldig direct contact op met (ex-)medewerkers van ABN AMRO en advocaten van ABN AMRO om op dreigende wijze hen in zijn jarenlange strijd te betrekken. De advocaat van ABN AMRO heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij geen collega’s of medewerkers van ABN AMRO heeft meegenomen naar de zitting, omdat hij wil voorkomen dat [eiser] tuchtrechtelijke procedures tegen hen begint of hen op andere lasterlijke wijze benadert.
4.94.
Verder heeft ABN AMRO terecht gesteld dat [eiser] zijn stellingen onderbouwt met evident onjuiste feiten. Een voorbeeld daarvan is de stelling van [eiser] in de conclusie van antwoord in reconventie dat hij geen bevoegdheden of rol had ten aanzien van de bankrekening van zijn moeder in het kader van de niet-uitgevoerde betalingen en dat zijn enige rol die van erfgenaam is die de vorderingen van zijn moeder voortzet, terwijl [eiser] tijdens het getuigenverhoor van 6 december 2013 heeft verklaard dat hij de bankzaken van zijn moeder regelt en dat hij de niet-uitgevoerde betaalopdrachten heeft opgesteld. Dat [eiser] de belangen van zijn moeder in 2012 al behartigde, is ook tot tweemaal toe bevestigd door de voorzieningenrechters in de vonnissen van 2 oktober 2012 en 14 mei 2014, waartegen [eiser] niet in beroep is gegaan. Een tweede voorbeeld is dat [eiser] volhoudt dat ABN AMRO geen reden heeft gegeven voor het weigeren van de betaalopdrachten in juli en augustus 2012, terwijl ABN AMRO dat in haar e-mail van 3 augustus 2012 al heeft toegelicht. Een derde voorbeeld is dat [eiser] stelt dat ABN AMRO op geen enkele manier heeft geprobeerd om in contact te komen met zijn moeder na de niet-uitgevoerde betaalopdrachten in juli en augustus 2012, terwijl ABN AMRO per telefoon, huisbezoek en brief heeft geprobeerd in contact te komen met [naam 1] , welke pogingen [eiser] zelf heeft gefrustreerd. Een vierde voorbeeld is dat [eiser] stelt dat nergens uit blijkt dat [schoonzus naam 1] en [broer naam 1] in augustus in Griekenland verbleven, terwijl ABN AMRO een brief van [schoonzus naam 1] heeft overgelegd waarin zij verklaart dat zij van 8 tot 23 augustus 2012 in Griekenland waren. Een laatste voorbeeld is dat [eiser] stelselmatig volhoudt dat de (ex-)medewerkers van ABN AMRO tijdens de getuigenverklaring in 2013 hebben verklaard dat er geen overeenkomsten, verwijzingsbrief of Algemene Bankvoorwaarden in het dossier van [naam 1] voorhanden waren. Dat is niet juist. De (ex-)medewerkers hebben hoogstens verklaard dat zij zich niet kunnen herinneren of in het dossier overeenkomst(en), een verwijzingsbrief of Algemene Bankvoorwaarden zaten. Dit alles leidt tot het oordeel dat [eiser] vorderingen heeft ingesteld gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [eiser] de onjuistheid kende, waarbij wordt benadrukt dat dit slechts enkele voorbeelden zijn dat [eiser] zijn stellingen heeft onderbouwd met evident onjuiste feiten. Bovendien beslaan deze onjuiste feiten en omstandigheden vele pagina’s van de dagvaarding en zijn deze ook (deels) weer herhaald tijden de mondelinge behandeling.
4.95.
Verder is van belang dat [eiser] ook in dit geschil wederom vorderingen instelt die te maken hebben met de niet-uitgevoerde betaalopdrachten, de blokkades van de rekeningen en de beëindiging van de bankrelatie, terwijl de voorzieningenrechters daarover al op 2 oktober 2012 en 14 mei 2012 een duidelijk oordeel hebben gegeven, waartegen [eiser] toen geen hoger beroep heeft ingesteld. [eiser] stelt in deze procedure wéér dat de bank zonder navraag te doen had moeten acteren op de door [broer en schoonzus naam 1] aan [naam 1] verstrekte volmachten en blijft volhouden – en nieuwe argumenten verzinnen – dat en waarom de volmachten niet zouden zijn ingetrokken, terwijl dat evident wel het geval is (zie 4.62-4.65). Een groot deel van de dagvaarding, namelijk pagina 118 tot en met 143, gaat hierover. [eiser] stelt in deze procedure bovendien geen nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van hetgeen hij in de kortgedingprocedures naar voren heeft gebracht, waardoor [eiser] ABN AMRO in feite op flinke kosten jaagt om deze vorderingen opnieuw te moeten betwisten. Het beeld dat ontstaat uit de citaten hiervoor onder 4.89, te weten dat het [eiser] er vooral om te doen is ABN AMRO op kosten te jagen, wordt daarmee bevestigd.
4.96.
Tot slot speelt mee dat [eiser] een zeer omvangrijke dagvaarding van ruim 200 pagina’s heeft ingediend, inclusief een zeer moeilijk leesbaar petitum van elf pagina’s. Zoals door ABN AMRO opgeworpen, bestaat de indruk dat grote delen van de dagvaarding door [eiser] zelf zijn geschreven. De dagvaarding bevat deels irrelevante delen, de indeling is onnavolgbaar en het is een onoverzichtelijk geheel. Bovendien is er een groot aantal producties (meer dan 200) bijgevoegd, die samen drie ordners vullen, waarvan op 65 producties accentueringen en commentaren van [eiser] zijn toegevoegd, hetgeen in strijd is met het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken. Al met al is het een zeer moeilijk leesbaar stuk dat eerst door de conclusie van antwoord van ABN AMRO enigszins begrijpelijk werd. Op basis van de conclusie van antwoord heeft de rechter de vorderingen van [eiser] vervolgens samengevat en aan partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling voorgelegd. Deze samenvatting bleek juist, zo heeft (de advocaat van) [eiser] bevestigd.
4.97.
Gelet op het bovenstaande kan de wijze van procederen door [eiser] niet worden aangemerkt als het verdedigbaar gebruik maken van het fundamentele recht om belangen aan de rechter voor te leggen en diens beslissing daaromtrent te verkrijgen. Voor zover al zou zijn gebleken van enig belang van [eiser] bij de uitoefening van dit recht, staat dit op geen enkele manier in verhouding tot de belangen van ABN AMRO die door de wijze van procederen ernstig worden geschaad. ABN AMRO heeft laten zien dat zij in deze procedure (tot en met januari 2026) voor een bedrag van € 240.455,22 kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken. Naast de hoge kosten die ABN AMRO heeft moeten maken om zich te verdedigen, heeft ABN AMRO aangevoerd dat [eiser] al zeer lange tijd ABN AMRO, haar medewerkers, haar advocaten en andere derden lastig valt met een continue stroom aan e-mails, ongefundeerde vorderingen, klachten, aangiftes en andere beschuldigingen, waarbij hij gebruik maakt van verdachtmakingen en intimidatie. Geoordeeld wordt dan ook dat voldaan is aan het criterium dat [eiser] in redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid tot het instellen van zijn vorderingen in deze procedure had kunnen komen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Er is daarom ruimte voor toewijzing van de vordering van ABN AMRO tot een veroordeling in de volledige proceskosten.
4.98.
[eiser] verzocht om matiging van deze kosten. [eiser] stelt dat ABN AMRO zelf heeft gekozen voor advocaten met een hoog uurtarief en dat deze kosten daarom niet (volledig) voor rekening zouden moeten komen van [eiser] . Hierin wordt [eiser] niet gevolgd. Bovendien mag ABN AMRO zelf kiezen hoe zij zich wenst te verdedigen en welke advocaat zij daarbij in de arm wenst te nemen. Bovendien blijkt uit de citaten van [eiser] dat hij zich bewust was van de tarieven van de advocaten van ABN AMRO, en dat het hem juist (mede) te doen was om ABN AMRO op hoge kosten te jagen met die tarieven (zie in het bijzonder het eerste citaat onder 4.90).
4.99.
De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:
- volledig salaris advocaat (t/m januari 2026)
240.455,22
- salaris advocaat
(na januari 2026)
4.631,00 (1 punt x € 4.631)
- griffierecht
6.617,00
- nakosten
189,00 [8]
Totaal
251.892,22
(Aangezien de volledig gemaakte proceskosten slechts zijn gespecificeerd tot en met januari 2026, zijn de kosten van de daarna verrichte proceshandelingen begroot conform het liquidatietarief).
4.100. De door ABN AMRO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal worden toegewezen als hierna in de beslissing staat vermeld.
4.101. Omdat [eiser] in conventie wordt veroordeeld in de proceskosten, die (grotendeels) worden berekend aan de hand van de werkelijk gemaakte proceskosten, heeft ABN AMRO geen belang bij haar vordering in reconventie. Die zal dan ook worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 251.892,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 189,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst het gevorderde af,
5.6.
begroot de proceskosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. F.A. Nusman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Bijlage 1 – Petitum [eiser]
MITSDIEN:
Het uw Rechtbank Amsterdam moge behagen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld in de periode van juli 2001 tot en met april 2014, door [naam 1] niet te informeren en te adviseren over de opgebouwde derivatenposities en deze te laten voortbestaan en ‘door te (laten) rollen’ met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de geleden schade wegens doorrollen, welke schade minimaal € 658.000,-- (zegge: zeshonderdachtenvijftigduizend euro) bedraagt; althans een schadebedrag door uw rechtbank te bepalen, althans een bedrag op te maken bij staat; waarbij het toe te wijzen schadebedrag vermeerderd dient te worden met een vergoeding (rentepercentage) van primair minimaal 12% effectief (per kwartaal berekend), zijnde de maximaal toegestane kredietvergoeding en een additionele wettelijke rente van dat moment, dan wel subsidiair een rentepercentage van 7,6% op jaarbasis (per kwartaal) effectief, dan wel meer subsidiair de wettelijke rente, althans meer meer subsidiair een door uw rechtbank in redelijkheid te bepalen percentage, allen gerekend vanaf de expiratie datum van de AEX 276 serie op 21 oktober 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
II. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, door [naam 1] vanaf juli 2001 meer (ongevraagd) krediet te verlenen (overkreditering) dan gezien haar financiële situatie als redelijk kan worden beschouwd, als gevolg waarvan [naam 1] schade heeft geleden, met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de geleden schade, welke schade onder meer bestaat uit: 1. een (oplopende) debetstand (roodstand) gedurende 13 jaar (juli 2001 tot april 2014); 2. accumulerende rente over de (oplopende) debetstand (roodstand); 3. in rekening gebrachte kosten, samenhangend met de (oplopende) debetstand (roodstand); alle hiervoor genoemde schadeposten vanaf het overlijden van heer [eiser] tot aan het vertrek bij ABN-AMRO (derhalve gedurende de periode juli 2001 tot april 2014), een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente sedert april 2014, tot aan de dag dag der algehele voldoening, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat;
III. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, als gevolg waarvan [naam 1] schade heeft geleden, bestaande uit het ten onrechte ‘dubbel’ in rekening brengen van tarieven (all-in tarief en los daarvan diverse kosten hanteren), met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de geleden schade, welke schade voorlopig wordt begroot op € 60.000,-- (zegge: zestigduizend euro) en welke schade (gedurende de periode juli 2001- 2014) nader opgemaakt dient te worden bij staat, waarbij het toe te wijzen schadebedrag vermeerderd dient te worden met primair een rentevergoeding van minimaal 12% effectief (per kwartaal berekend), zijnde de maximaal toegestane kredietvergoeding en een additionele wettelijke rente van dat moment, dan wel subsidiair een rentepercentage van 7,6% op jaarbasis, dan wel meer subsidiair een door uw rechtbank in redelijkheid te bepalen rentepercentage, waarbij het toegepaste rentepercentages gerekend wordt vanaf juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
IV. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat ABN-AMRO ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht met betrekking tot: 1. het doorrollen van de AEX opties; 2. het aankopen van de geëffectueerde put opties geschreven door wijlen de heer [eiser] ; 3. het meerdere malen onder druk van ABN-AMRO moeten verkopen van aandelen door [naam 1] (op basis van verzonden margin call brieven), als gevolg waarvan [naam 1] schade heeft geleden, met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de geleden schade, welke schade voorlopig wordt begroot op € 30.000,--, (zegge: dertigduizend euro) en welke schade (gedurende de periode juli 2001- 2014) nader opgemaakt dient te worden bij staat; waarbij het toe te wijzen schadebedrag vermeerderd dient te worden met primair een rentevergoeding van minimaal 12% effectief (per kwartaal berekend), zijnde de maximaal toegestane kredietvergoeding en een additionele wettelijke rente van dat moment, dan wel subsidiair een rentepercentage van 7,6% op jaarbasis, dan wel meer subsidiair een door uw rechtbank in redelijkheid te bepalen rentepercentage, waarbij het toegepaste rentepercentages gerekend wordt vanaf juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
V. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO over de belegging van haar vermogen en het renderen van haar vermogen (onder meer bestaande uit dat de wensen van [naam 1] onvoldoende door ABN-AMRO in de gaten zijn gehouden, onvoldoende waarschuwingen door ABN-AMRO hebben plaatsgevonden voor de gevoerde beleggingsstrategie), als gevolg waarvan [naam 1] schade heeft geleden, welke schade zich vooralsnog laat begroten op een bedrag van € 87.127.174,35 , (zegge: zevenentachtig miljoen honderdzevenen-twintigduizend honderdvierenzeventig euro en vijfendertig cent) (schadebedrag beleggingen plus factor en dividenden tot en met december 2024), met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de geleden schade van € 87.127.174,35 , althans een schadebedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, rekeninghoudende door uw rechtbank met een door de rechtbank te bepalen rekenfactor en dividend, althans een bedrag op te maken bij staat;
VI. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO over de waarde van de overgedragen portefeuille van Insinger de Beaufort aan ABN-AMRO, begin 2003, als gevolg waarvan [naam 1] schade heeft geleden, welke schade zich vooralsnog laat begroten op een bedrag van € 5.747.528,49 (zegge: vijf miljoen zevenhonderdzevenveertigduizend vijfhonderd achtentwintig euro en negenenveertig cent) (tot en met december 2024), althans een schadebedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, rekeninghoudende door uw rechtbank met een te bepalen rekenfactor en dividend;
VII. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat [naam 1] genoodzaakt was bij derden leningen aan te gaan, waardoor [naam 1] schade heeft geleden, bestaande uit de geleende bedragen ad € 857.500,-- (zegge: achthonderd zevenenvijftigduizend vijfhonderd euro), althans een schadebedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen; te vermeerderen met de contractuele rente ad 7% en 8%, te vermeerderen met een vergoeding (rentepercentage) van 7,6% (effectieve rente), zijnde een bedrag van
€ 24.787.743,--, dan wel de wettelijke rente, zijnde een bedrag van € 10.153.950,--, dan wel een door uw rechtbank in redelijkheid te bepalen rentepercentage, waarbij het toegepaste rentepercentage gerekend wordt vanaf oktober 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
VIII. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat [naam 1] genoodzaakt was tot noodgedwongen vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 1] te Israël d.d. 22 november 2005 met een vermogensverlies van ILS 3.156.010,--, (€ 894.959,--) per 27 april 2022 (gebaseerd op de koersverhouding ILS/EURO per eind april 2022), met veroordeling van ABN-AMRO van voornoemd bedrag van € 894.959,-- (zegge: achthonderdvierennegentigduizend negenhonderd-negenenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2022, tot aan het moment van algehele voldoening, althans een bedrag door uw rechtbank toe te wijzen, althans een bedrag nader op te maken bij staat.
IX. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat [naam 1] genoodzaakt was tot noodgedwongen vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 1] te Israël d.d. 22 november 2005, met gemiste huuropbrengsten en rendement van december 2005 tot en met 31 december 2024 ad € 634.521,-- (zegge: zeshonderd vierendertigduizend vijfhonderdeenentwintig euro), te vermeerderen met een rentevergoeding van minimaal 12% (gebaseerd op de maximaal toegestane kredietvergoeding van 12% en een additionele wettelijke rente van dat moment), dan wel 7,6% (effectief per kwartaal berekend), dan wel 6%, althans de wettelijke rente, vanaf december 2005 tot aan het moment van algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
X. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat [naam 1] genoodzaakt was tot noodgedwongen vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 2] te Israël d.d. 7 september 2014, met gemiste huuropbrengsten en rendement van oktober 2014 tot en met 31 december 2024 ad € 199.688,--, (zegge: honderdnegenennegentigduizend zeshonderdachtentachtig euro), te vermeerderen met een rentevergoeding van minimaal 12% (gebaseerd op de maximaal toegestane kredietvergoeding van 12% en een additionele wettelijke rente van dat moment), dan wel 7,6% (effectief per kwartaal berekend), dan wel 6%, althans de wettelijke rente, vanaf oktober 2014 tot aan het moment van algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
XI. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld doordat [naam 1] genoodzaakt was tot noodgedwongen vroegtijdige verkoop van haar appartement [plaats 2] te Israël d.d. 7 september 2014, met een vermogensverlies van ILS 1.700.000,-, (€ 482.074,) per 27 april 2022 (gebaseerd op de koersverhouding ILS/EURO per eind april 2022), met veroordeling van ABN-AMRO van voornoemd bedrag van € 482.074,-- (zegge: vierhonderdtweeentachtigduizend vierenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2022, tot aan het moment van algehele voldoening, althans een bedrag door uw rechtbank toe te wijzen, althans een bedrag nader op te maken bij staat;
XII. ABN-AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 1.575,--, te vermeerderen met € 31,--transactiekosten, als redelijk gemaakte kosten heeft ter verkrijging van zijn recht op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro (ter berekening van de door toedoen van ABN-AMRO geleden schade (door [naam 1] ), in verband met de door de heer [naam 4] gemaakte kosten om een schadeberekening te maken, ter vaststelling van de door [naam 1] geleden schade ten aanzien van de appartementen in Israël;
XIII. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] Apple aandelen moest verkopen, waarbij zij over de verkoop van de aandelen Apple niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO en primair ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit levering van 56.000 aandelen Apple aan [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen om aan [eiser] een zodanig aantal aandelen Apple te leveren dat op de dag van levering gelijk is aan de 56.000 aandelen Apple, zoals die door splitsing zijn vermeerderd, eveneens binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen aan [eiser] te leveren een zodanig aantal aandelen Apple door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.
Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van ABN-AMRO tot een bedrag gelijk aan de waarde van 56.000 aandelen Apple, althans de waarde van het equivalent aantal aandelen Apple na splitsing verkregen, gebaseerd op de slotkoers van het aandeel Apple aan de Nasdaq op de datum van het te wijzen vonnis, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat;
XIV. [eiser] vordert ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit (misgelopen) dividenduitkeringen als gevolg van de gedwongen verkoop van de Apple aandelen in 2007. Het totaalbedrag (dividend vermeerderd met rendement) op basis van 7,6% rente bedraagt 752.452, -- Dollar. Op basis van de wettelijke rente komt dit neer op een bedrag van 583.698, -- Dollar, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat. Mocht door Apple in de periode vanaf januari 2025 tot aan de datum van levering van de aandelen Apple door ABN-AMRO aan [eiser] dividend worden uitgekeerd, dan dient het totaalbedrag aan uitgekeerd dividend (vermeerderd met 7,6% rente effectief dan wel de wettelijke rente) vermeerderd te worden met het door Apple nog uit te keren dividend vanaf januari 2025.
XV. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] Amazon aandelen moest verkopen, waarbij zij over de verkoop van de aandelen Amazon niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO en primair ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit levering van 10.000 aandelen Amazon aan [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen om aan [eiser] een zodanig aantal aandelen Amazon te leveren dat op de dag van levering gelijk is aan 10.000 aandelen Amazon, zoals die door splitsing zijn vermeerderd, eveneens binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen aan [eiser] te leveren een zodanig aantal aandelen Amazon door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.
Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van ABN-AMRO, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, tot een bedrag gelijk aan de waarde van 10.000 aandelen Amazon, althans de waarde van het equivalent aantal aandelen Amazon na splitsing verkregen, gebaseerd op de slotkoers van het aandeel Amazon aan de Nasdaq op de datum van het te wijzen vonnis, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat;
XVI. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] Oracle Corp aandelen moest verkopen, waarbij zij over de verkoop van de aandelen Oracle Corp niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO en primair ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit levering van 2000 aandelen Oracle Corp aan [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen om aan [eiser] een zodanig aantal aandelen Oracle Corp te leveren dat op de dag van levering gelijk is aan de 2000 aandelen Oracle Corp , zoals die door splitsing zijn vermeerderd, eveneens binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen aan [eiser] te leveren een zodanig aantal aandelen Oracle Corp door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.
Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van ABN-AMRO tot een bedrag gelijk aan de waarde van 2000 aandelen Oracle Corp, althans de waarde van het equivalent aantal aandelen Oracle Corp na splitsing verkregen, gebaseerd op de slotkoers van het aandeel Oracle Corp aan de Nasdaq op de datum van het te wijzen vonnis, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat;
XVII. [eiser] vordert ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit (misgelopen) dividenduitkeringen als gevolg van de gedwongen verkoop van de Oracle Corp aandelen in 2007. Het totaalbedrag (dividend vermeerderd met rendement) bedraagt op basis van 7,6% rente 30.433,-- Dollar. Op basis van de wettelijke rente komt dit neer op een bedrag van 24.593,-- Dollar, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat. Mocht door Oracle in de periode vanaf januari 2025 tot aan de datum van levering van de aandelen Oracle door ABN-AMRO aan [eiser] dividend worden uitgekeerd, dan dient het totaalbedrag aan uitgekeerd dividend (vermeerderd met 7,6% rente effectief dan wel de wettelijke rente) vermeerderd te worden met het door Oracle nog uit te keren dividend vanaf januari 2025.
XVIII. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld, doordat [naam 1] Western-Digital aandelen moest verkopen, waarbij zij over de verkoop van de aandelen Western-Digital niet deugdelijk is geïnformeerd / geadviseerd door ABN-AMRO en primair ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit levering van 2000 aandelen Western-Digital aan [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen om aan [eiser] een zodanig aantal aandelen Western-Digital te leveren dat op de dag van levering gelijk is aan aan de 2000 aandelen Western Digital, zoals door eventuele splitsing is vermeerderd, eveneens binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans ABN-AMRO te veroordelen aan [eiser] te leveren een zodanig aantal aandelen Western Digital door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van ABN-AMRO, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, tot een bedrag gelijk aan de waarde (koers) van 2000 aandelen Western-Digital, althans de waarde van het equivalent aantal aandelen Western-Digital na splitsing verkregen, gebaseerd op de slotkoers van het aandeel Western-Digital aan de Nasdaq op de datum van het te wijzen vonnis, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat;
XIX. [eiser] vordert ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade bestaande uit (misgelopen) dividenduitkeringen als gevolg van de gedwongen verkoop van de Western Digital aandelen in 2002. Het totaalbedrag (dividend vermeerderd met rendement) bedraagt op basis van 7,6% rente 50.838,-- Dollar. Op basis van de wettelijke rente komt dit neer op een bedrag van 34.543,-- Dollar, althans een bedrag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, althans een bedrag nader op te maken bij staat; Mocht door Western Digital in de periode vanaf januari 2025 tot aan de datum van levering van de aandelen Western Digital door ABN-AMRO aan [eiser] dividend worden uitgekeerd, dan dient het hierboven opgenomen totaalbedrag aan uitgekeerd dividend (vermeerderd met 7,6% rente effectief dan wel de wettelijke rente) vermeerderd te worden met het door Western Digital nog uit te keren dividend vanaf januari 2025;
XX. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld door ten onrechte de in juli 2012 (en augustus 2012) door [naam 1] gegeven opdrachten niet uit te voeren, waardoor [naam 1] schade heeft geleden, met veroordeling van ABN-AMRO tot vergoeding van de contactuele rente ad 8% over het bedrag van € 868.300,--, te vermeerderen met een opslag van 7,6% rente zijnde een bedrag van € 4.404.523,--, althans althans de contactuele rente ad 8%, vermeerderd met de wettelijke rente zijnde een bedrag van € 2.251.139,--, althans de contactuele rente ad 8%, zijnde een bedrag van € 1.392.569,--, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2025 tot de dag der algehele voldoening, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen (rente)bedrag;
XXI. te verklaren voor recht dat ABN-AMRO toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgplicht, welke zij jegens [naam 1] in acht diende te nemen en/of dat ABN-AMRO onrechtmatig jegens [naam 1] heeft gehandeld door ten onrechte tot blokkering en beeindiging van de bankrekeningen van [naam 1] over te gaan en ABN-AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door [naam 1] geleden schade ad € 9.462,-- (zegge: negenduizend vierhonderdtweeenzestig euro), welke schadebedrag vermeerderd dient te worden met een vergoeding (rentepercentage) van minimaal 12% effectief (per kwartaal berekend), zijnde de maximaal toegestane kredietvergoeding en een additionele wettelijke rente van dat moment, dan wel het geldende wettelijke rentepercentage van dat moment), dan wel subsidiair een rentepercentage van 7,6% op jaarbasis, dan wel meer subsidiair de wettelijke rente, dan wel een door uw rechtbank in redelijkheid te bepalen rentepercentage, gerekend vanaf januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
XXII. ABN-AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 44.155, -- (zegge: vierenveertigduizend hondervijfeenvijftig euro) als redelijk gemaakte kosten (ter verkrijging van zijn recht) op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro, in verband met de door accountantskantoor Slof & Wildenburg gemaakte kosten ter vaststelling van de door [naam 1] geleden schade middels het opstellen van schadeberekeningen (renteberekeningen);
XXIII. ABN-AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 5.207,08, (zegge: vijfduizend tweehonderdzeven euro en acht eurocent) als daadwerkelijk gemaakte (proces)kosten ter verkrijging van zijn recht, niet zijnde de kosten ter voorbereiding van het geding of instructie der zaak;
XXIV. ABN-AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 14.630,74 zegge veertienduizend zeshonderdertig euro en vierenzeventig eurocent), als redelijk gemaakte kosten ter verkrijging van zijn recht, zijnde de kosten van het door [naam 1] geëntameerde voorlopig getuigenverhoor in 2013 en de daarmee samenhangende werkzaamheden, niet zijnde de kosten ter voorbereiding van het geding of instructie der zaak;
XXV. ABN-AMRO te veroordelen in de (proces)kosten van deze procedure, bestaande uit exploitkosten, griffierecht en (na)salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Voetnoten

1.Conclusie van 21 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:260 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)
2.Hoge Raad 12 juni 2025, ECLI:NL:HR:2026:921
3.Zie onder meer Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, r.o. 3.1.2; Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, r.o. 3.3.3; Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, r.o.. 3.3.2
4.Zie Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18, r.o. 3.6 en 3.7
5.Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.2.6
6.Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, r.o. 4.3.1 e.v.
7.Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7827
8.plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing