ECLI:NL:RBAMS:2026:733

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
13-299851-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 21a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, geboren in 2002 in Polen. Het EAB betreft onder meer het strafbare feit verkrachting, dat op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat, en een tweede feit waarvoor dubbele strafbaarheid vereist is, namelijk bedreiging met een misdrijf tegen het leven.

De verdediging verzocht om aanhouding van de procedure vanwege het niet aanwijzen van een advocaat in Polen conform artikel 21a OLW, maar de rechtbank oordeelde dat aan de inspanningsverplichting was voldaan en dat het uitblijven van resultaat geen weigeringsgrond vormt.

De rechtbank onderzocht ook de detentieomstandigheden in Polen, waar een algemeen reëel gevaar bestaat voor schending van grondrechten in remand regimes. Uit verstrekte informatie bleek dat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel zal hebben en niet structureel 23 uur per dag in de cel hoeft door te brengen. De Poolse autoriteiten gaven garanties over wandelmogelijkheden en deelname aan activiteiten.

De rechtbank concludeerde dat het algemene reële gevaar is weggenomen door de individuele garanties en dat geen sprake is van een concreet individueel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling. Er zijn geen weigeringsgronden en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom staat de rechtbank de overlevering toe.

De uitspraak is gedaan door de rechtbank Amsterdam op 29 januari 2026 en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-299851-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 oktober 2025 door
the District Court of Zamosc, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu, II Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfsadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the Regional Court of Tomasźow Lubelski of 2 December 2024 on temporary arrest of [de opgeëiste persoon] for the period of 3 (three) months from the date of his arrest,met referentienummer II KP 404/24 (4188-4. Ds. 957.2024).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst
feit éénaan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft
feit tweeniet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.Artikel 21a OLW

Uit artikel 21a OLW volgt dat een opgeëiste persoon die is aangehouden, kan verzoeken om een advocaat in de uitvaardigende lidstaat aan te wijzen met het oog op het, door het verstrekken van informatie en advies, verlenen van bijstand aan zijn advocaat in Nederland ten behoeve van de procedure voor overlevering in Nederland. De officier van justitie stelt na ontvangst van het verzoek de uitvaardigende justitiële autoriteit terstond van het verzoek in kennis.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de zaak moet worden aangehouden om de Poolse autoriteiten nogmaals te verzoeken om een advocaat aan te wijzen. Het verzoek dat door de verdediging is gedaan, heeft er namelijk niet toe geleid dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit een advocaat is aangewezen die op toevoegingsbasis kan assisteren in de Nederlandse overleveringsprocedure. De Poolse autoriteiten hebben in reactie op het verzoek van de officier van justitie enkel een lijst met namen van advocaten verstrekt die kunnen worden benaderd. De opgeëiste persoon heeft weliswaar contact gezocht, maar hij heeft geen reactie ontvangen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de zaak op deze grond. De Nederlandse officier van justitie heeft de verplichting om het verzoek op grond van art. 21a OLW door te geleiden naar de Poolse autoriteiten. Aan die inspanningsverplichting is voldaan. De Poolse autoriteiten hebben informatie verstrekt, die is toegevoegd aan het procesdossier. Ook de Poolse autoriteiten hebben aan hun verplichting voldaan. Ter onderbouwing verwijst de officier van justitie naar overweging 46 van de preambule van de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 en de Kamerstukken 2014-2015, 34157 nr. 3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat in dit geval aan artikel 21a OLW is voldaan. De officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis gesteld van het door de verdediging gedane verzoek en heeft daarmee voldaan aan de in dit artikel bedoelde inspanningsverplichting. De rechtbank merkt op dat het uitblijven van resultaat op dit punt geen weigeringsgrond oplevert. Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.

6.Artikel 11 OLW Pro

6.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6.2
Detentieomstandigheden in Poolseremand regimes
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Poolse detentie-instellingen terechtkomen. [6] Het kernpunt daarbij is dat in het
remand regimeslechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie (hierna: IRC) vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Op 29 december 2025 heeft
the Deputy Director of Zakład Karny in Zamośćin een brief het volgende medegedeeld:
“(...) Re 2. At Zaklad Karny in Zamosc, (...) the living space per one inmate is at least 3 m² (the area calculated excluding the area designated for the toilet).
Re 3. Due to the fact that the legal status of the person indicated in the letter from the Public Prosecutor' s Office in Amsterdam dated 15 December 2025 is unknown, it is not possible to foresee what type of prison in Poland he will be sent to. (...) The prisons in our country can be:
- closed prisons,
- semi-open prisons,
- open prisons.
The prisons referred to above differ in particular in terms of the level of security, isolation of inmates and their resulting obligations and rights in terms of movement within and outside the prison. In view of the above, for objective reasons, it is not possible at this stage to give a clear answer to the question of whether the above-mentioned person, upon arrival at a given prison, will be able to spend at least two hours a day outside their cell.
Re 4. Zakład Karny in Zamość is a closed-type prison. (...) When a prisoner is sent to a closed prison, they generally enjoy the rest necessary for their health, in particular the right to an hour-long walk. In remand centres, cells remain locked during the day and at night.
Inmates in remand centres have the opportunity to participate in a wide range of cultural, educational and sporting activities, which means that they do not remain in their cells during this time. Inmates may stay in the common rooms of the cultural and educational complex (twice a week for one hour) but they can also participate in such activities more frequently (if another inmate withdraws from the activity). During the activities, inmates can use the gym, games such as table tennis, table football, billiards, darts, common room games, knowledge competitions, tournaments, reading the press and such interest groups as:
- music club - 3 hours a day, once a week,
- art club - 3 hours a day, once a week,
- general development classes - 1 hour, once a week,
- classes for inmates who have been awarded a prize by the Director of Zaklad Karny in Zamość (…) (permission to participate more frequently in cultural and educational activities in the field of physical culture and sport)- 1 hour a day, once a week.
Inmates may participate in recreational activities on the sports field (twice a week for one hour), but they may also participate in such activities more frequently (if another inmate withdraws from the activities).
The following activities are available:
- volleyball,
- basketball,
- general development and physical fitness classes.
In addition, inmates may participate in concerts by music bands organised in the prison, charity events, environmental campaigns, preventive performances and theatre performances. They can use the prison library once a week (during the general book exchange in the residential unit) and can attend the following religious services:
-
Holy Mass in the prison chapel (for one hour on Saturday or Sunday) and for one hour on Tuesday, Wednesday and Friday.
-
In the rosary, the Way of the Cross (every Friday, for one hour).
Prisoners may be assigned to do different jobs. Those in temporary detention are, as a rule, employed within the remand centre. (...) Prisoners employed in this form work on average 2-3 hours a day, 5 days a week).
If an inmate is sent to serve their sentence in a semi-open or open prison, they also have the right to an hour's walk. In the residential section of the External Unit, the cells are open 24 hours a day. (…)”
Op 9 januari 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vragen gesteld:
“(…) 1. Could you confirm that [de opgeëiste persoon] will not be detained in a closed-regime in Zamosc? If not:
2. The Court of Amsterdam recently decided in a different Polish surrender case that the surrender to the Remand Centre in Lublin was permissible. I would therefore like to ask you if it would be possible that [de opgeëiste persoon] will be detained in another remand centre where he would be allowed to spend 2 hours outside of his cell, for instance the Remand Centre in Lublin? (…)”
6.3
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de zaak moet worden aangehouden om de Poolse autoriteiten in de gelegenheid te stellen de door het IRC gestelde vragen te beantwoorden. Zonder antwoord op deze vragen kan geen beslissing ten aanzien van artikel 11 OLW Pro worden genomen. Daarnaast merkt de raadsvrouw op dat zij de antwoorden van de Poolse autoriteiten wil laten toetsen door een Poolse organisatie die zich bezig houdt met het monitoren en beschermen van mensenrechten van personen die in Polen zijn gedetineerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt eveneens om de zaak aan te houden. Uit de verstrekte informatie van 29 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in
Zakład Karny in Zamośćin verschillende regimes kan worden geplaatst. Plaatsing in een gesloten regime blijkt niet te voldoen aan de eisen die deze rechtbank hanteert. Het IRC heeft daarom nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten, die nog niet zijn beantwoord.
6.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 29 december 2025 het vastgestelde algemene gevaar is weggenomen en wijst het verzoek tot aanhouding, van zowel de raadsman als de officier van justitie, af.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
Zakład Karnyin
Zamośćen dat drie m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd. Uit de aanvullende informatie blijkt dat
Zakład Karnyin
Zamość een gevangenis is met een gesloten regime waar zowel voorlopig gehechten als personen die een opgelegde vrijheidsstraf moeten uitzitten, gedetineerd kunnen worden. Tegelijkertijd blijkt uit de informatie dat het niet mogelijk is om te voorspellen naar welk detentieregime de opgeëiste persoon zal worden overgebracht. Dit kan volgens de Poolse autoriteiten zowel in een gesloten als semi-open of open regime zijn. In het geval dat de opgeëiste persoon in een
remand regimein een gesloten regime zal worden gedetineerd, krijgen
inmatesdagelijks de mogelijkheid om één uur te wandelen, daarnaast kunnen zij twee keer per week gedurende één uur deelnemen aan activiteiten in de gemeenschapsruimte en twee keer per week gedurende één uur deelnemen aan sportactiviteiten. Ook mogen
inmateseenmaal per week gebruikmaken van de bibliotheek en kunnen zij deelnemen aan religieuze activiteiten die wekelijks worden aangeboden.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie. De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Poolse autoriteiten in samenhang gelezen met de door het IRC gestelde vragen, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten omdat de opgeëiste persoon minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte heeft in een meerpersoonscel (exclusief sanitair) en hij niet structureel 23 uur per dag in zijn cel hoeft door te brengen. De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 285 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court of Zamosc, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu, II Wydział Karny), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.