ECLI:NL:RBAMS:2026:7662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
13-020824-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 UitleveringswetArt. 5 UitleveringswetArt. 26 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering Turkse verdachte ondanks zorgen over eerlijke proces en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van Turkije voor een verdachte geboren in 1974, verdacht van medeplegen van drugshandel. De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werd gehoord samen met zijn raadsvrouw en de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat aan de formele eisen van het uitleveringsverzoek was voldaan, waaronder de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid.

De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is wegens een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) vanwege de Koerdische achtergrond en politieke activiteiten van de verdachte. De rechtbank concludeerde echter dat de situatie van de verdachte niet vergelijkbaar is met eerdere gevallen van flagrante schendingen en dat het risico onvoldoende concreet en ernstig is om uitlevering te weigeren.

Daarnaast werd het verzoek tot aanhouding in Nederland in het kader van een Turks rechtshulpverzoek afgewezen, omdat de Turkse autoriteiten het uitleveringsverzoek handhaven ongeacht het verhoor. De rechtbank gaf een advies aan de Minister over de detentieomstandigheden in Turkije (artikelen 2 en 3 EVRM) en de noodzaak van een onvoorwaardelijke terugkeergarantie voor de verdachte, gezien zijn Nederlandse nationaliteit.

De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar en adviseerde de Minister om garanties te vragen over de detentieomstandigheden en terugkeer, waarbij rekening wordt gehouden met de Koerdische achtergrond van de verdachte.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de verdachte toelaatbaar en adviseert de Minister garanties te vragen over detentieomstandigheden en terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-020824-26
Datum uitspraak: 22 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 13 februari 2026 onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie een Veiligheid ontvangen verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (Turkije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De rechtbank heeft op 8 juli 2026 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, en mr. K. van der Schaft, officier van justitie, ter openbare zitting gehoord.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4.Grondslag uitleveringsverzoek

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in:
- het nationale arrestatiebevel (
warrant of arrest) van 7 oktober 2025 dat is uitgevaardigd door
Edirne 3rd High Criminal Court,met referentie: 2021/219;
- de brief van 6 februari 2026 met bijlagen van
The Embassy of the Republic of Türkiye, inhoudende een uitleveringsverzoek, in het bijzonder onder het kopje “FACTS RELATING TO THE COMMISSION OF THE OFFENSE:” in de brief van 7 oktober 2025 van de
Edirne 3rd High Criminal Court.

5.Genoegzaamheid van de stukken

Bij het uitleveringsverzoek zijn gevoegd:
- een authentiek afschrift van het nationale arrestatiebevel (
warrant of arrest) van 7 oktober 2025 dat is uitgevaardigd door de
Edirne 3rd High Criminal Court,met referentie: 2021/219;
- een brief van 7 oktober 2025 van de
Edirne 3rd High Criminal Courtmet onder het kopje “FACTS RELATING TO THE COMMISSION OF THE OFFENSE:” een omschrijving van de feiten waarvoor de overlevering wordt gezocht;
- een afschrift van de toepasselijke artikelen 37, 53, 63 en 188 van het Turkse wetboek van strafrecht.
De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 UW Pro.

6.Gekwalificeerde dubbele strafbaarheid van het feit

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht is naar Turks recht strafbaar en daarvoor kan een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar worden opgelegd, terwijl dat feit naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is en daarvoor een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank stelt hiermee vast dat aan de eis van de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, EUV en artikel 5 UW Pro is voldaan.
7. Dreigende flagrante schending van artikel 6 Europees Pro Verdrag tot beschermingvan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Juridisch kader
Nederland heeft zich als verdragsstaat bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te houden aan de uit artikel 1 EVRM Pro voortvloeiende algemene verplichting tot eerbiediging van mensenrechten bij uitlevering. Dat houdt in dat Nederland als aangezochte staat niet mag overgaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon, indien en voor zover sprake is van een ernstige (dreigende) schending van mensenrechten. De bevoegdheid tot beoordeling van mensenrechtenverweren bij uitlevering ter strafvervolging is afwisselend toebedeeld aan de Minister van Justitie (de Minister) en aan de rechtbank. De beoordeling van een dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro die niet ‘flagrant’ is ligt bij de Minister. De uitleveringsrechter is bevoegd om te oordelen over een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro.
Vooropgesteld moet worden dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM zal respecteren. [1] Als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor strafvervolging en door of namens de opgeëiste persoon wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending.
Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering. De rechtbank kan eventueel wel een advies uitbrengen op dit punt aan de Minister, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen. Op het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering worden gemaakt als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge toekomend recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), én
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat. [2]
De op Nederland rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren staat in zo een geval in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het daarom - kort gezegd - de uitleveringsrechter die bevoegd is te beslissen als bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting (voldoende onderbouwd) is aangevoerd dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan het risico van een dreigende flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR én dat tegen die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR openstaat. Daarbij moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In een uitspraak van 17 januari 2012 zijn een aantal voorbeelden genoemd waarin sprake was van een ‘
flagrant denial of justice’. [3] Een ‘
flagrant denial of justice’ is, aldus het EHRM, “
a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State”. Vereist is “
a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”. [4] Uit het voorgaande volgt dat niet elke schending van artikel 6 EVRM Pro een beletsel voor uitlevering vormt. Het moet gaan om een (dreigende) flagrante schending.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de opgeëiste persoon Koerdisch is en dat hij actief is voor de Koerdische beweging. De verdediging heeft op voorhand een brief en een video van de Instagram-pagina van de opgeëiste persoon overgelegd, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon zich al enige tijd online en tijdens demonstraties uitspreekt voor de Koerdische zaak. De raadsvrouw heeft ook een schriftelijke verklaring overgelegd van een kennis van de opgeëiste persoon, die heeft verklaard dat de opgeëiste persoon al 25 jaar maatschappelijk en politiek betrokken is bij de Koerdische gemeenschap, onder meer door regelmatig deel te nemen aan demonstraties en andere openbare bijeenkomsten die betrekking hebben op de Koerdische kwestie. Ter zitting heeft de raadsvrouw een pleitnota overgelegd. De raadsvrouw heeft daarin - samengevat - aangevoerd dat de opgeëiste persoon, vanwege zijn Koerdische achtergrond en politieke activiteiten, geen eerlijk proces te wachten staat in Turkije. Er bestaan algemeen aanvaarde twijfels over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Turkse rechtspraak, met name in zaken die betrekking hebben op vermeende politieke tegenstanders. Dat kan ook het geval zijn als sprake is van vervolging voor een commuun feit. Ook daarbij kan de vervolging zijn ingegeven vanuit een politiek motief. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw verwezen naar verschillende openbare bronnen.
In een arrest van 31 oktober 2017 wees het gerechtshof Den Haag op ontwikkelingen in Turkije na de mislukte staatsgreep in juli 2016. Het hof stelde dat de ontwikkelingen zorgwekkend waren, in het bijzonder het ontslag van een groot aantal rechters en officieren en dat het rechtssysteem in Turkije hierdoor onder (grote) druk staat. [5]
In het Türkiye Report 2023 constateerde de Europese Commissie dat de Turkse democratische instellingen ernstige tekortkomingen vertonen. Er is gewezen op een voortdurende achteruitgang van de democratie en op structurele gebreken binnen het presidentiële systeem. Zo bleef de regering druk uitoefenen op burgemeesters van de oppositie, onder meer door middel van administratieve en gerechtelijke onderzoeken. In december 2022 werd de burgemeester van Istanbul veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf op beschuldiging van belediging van leden van de Hoge Kiesraad. Daarnaast benadrukt het rapport dat er geen verbetering is in het terugdringen van ongepaste invloed en druk van de uitvoerende macht op rechters en aanklagers, wat de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en kwaliteit van de rechterlijke macht negatief beïnvloedt. Ten slotte uit de Commissie haar bezorgdheid over het feit dat Turkije bepaalde uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) weigert uit te voeren. Twee voormalige medevoorzitters van de
People's Democratic Party(de HDP) en verschillende voormalige HDP-parlementsleden zitten bijvoorbeeld nog steeds in de gevangenis, ondanks een uitspraak van het EHRM in hun voordeel. [6]
Volgens een resolutie die in juni 2023 werd aangenomen door de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa (PACE) heeft de Turkse regering zich schuldig gemaakt aan transnationale onderdrukking door gebruik te maken van uitlevering zonder rechtszaak, misbruik van uitleveringsprocedures,
red noticesvan INTERPOL en maatregelen ter bestrijding van terrorismefinanciering, en het inschakelen van andere staten om personen op onwettige wijze uit te zetten of over te brengen. [7]
In maart 2024 publiceerde
The Stockholm Center for Freedom (SCF)het rapport ‘Human Rights in Turkey: 2023 in Review’, waarin werd gerapporteerd over de toenemende onderdrukking van de Koerdische politieke beweging en nieuwe vormen van transnationale repressie. Volgens SCF blijven Turkse rechtbanken systematisch ongegronde beschuldigingen accepteren en veroordelen zij personen en groepen die door de regering- Erdoğan als politieke tegenstanders worden beschouwd, zonder dat daar overtuigend bewijs voor is. [8]
In september 2024 uitte het Comité van Toezicht van de Raad van Europa in een nota ernstige zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Turkije. Het comité dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan maatregelen te nemen om de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Deze nota is opgesteld naar aanleiding van een onderzoeksmissie die in juni 2024 in Turkije plaatsvond. De co-rapporteurs wijzen op problemen met de Turkse
Raad van Rechters en Openbare Aanklagers (HSK). Tevens bekritiseert de nota dat Turkse gerechten zich verzetten tegen uitspraken van het Grondwettelijk Hof. De rapporteurs benadrukken dat Turkije moet zorgen voor onpartijdigheid van de rechterlijke macht, vrij van politieke druk. [9]
In oktober 2024 heeft de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht gewaarschuwd voor een zorgwekkend patroon van systematische overheidsbemoeienis met de rechterlijke macht in Turkije. In een verklaring aan de Turkse regering bracht zij haar grote bezorgdheid tot uitdrukking over de situatie van rechters, openbaar aanklagers en advocaten, die steeds meer onder invloed van de overheid staan. [10]
Verder blijkt uit een ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Turkije, gedateerd februari 2025, dat de rechtsstaat in Turkije in de verslagperiode van september 2023 tot en met 20 februari 2025 onder druk heeft gestaan. Er was sprake van politieke invloed op de rechterlijke macht, die zich op verschillende manieren manifesteerde. Het ambtsbericht noemt diverse voorbeelden, waaronder eveneens het feit dat Turkije in deze periode uitspraken van het EHRM naast zich heeft neergelegd. [11]
In het geval van de opgeëiste persoon is in feite sprake van misbruik van de uitleveringsprocedure. De verdenking die genoemd is van een commuun strafbaar feit is een dekmantel voor de daadwerkelijke reden dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon willen laten uitleveren, namelijk zijn activiteiten voor de Koerdische gemeenschap. De opgeëiste persoon zal in feite in Turkije als terrorist worden behandeld en berecht. De kans dat hij in Turkije een eerlijk proces krijgt en daartegen een effectief rechtsmiddel kan aanwenden is volgens de raadsvrouw nihil. Zij verzoekt daarom de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. De verdenking tegen de opgeëiste persoon is in 2010 gestart, terwijl de verdediging betoogt dat de Turkse autoriteiten hem zoeken vanwege zijn rol als Koerdisch activist. De verdediging heeft niet onderbouwd dat de opgeëiste persoon toen ook al zo actief was voor de Koerdische gemeenschap dat dat mogelijk de aanleiding voor de verdenking kan zijn geweest. Hoewel de opgeëiste persoon stelt niet te zijn herkend door de medeverdachte, kunnen andere gegevens tot een rechtmatige verdenking hebben geleid. Er is weliswaar een uitspraak waarin is geconcludeerd dat een Koerdische activist in Turkije het risico liep op een flagrante schending van zijn mensenrechten, maar in die zaak ging het om daadwerkelijke politieke betrokkenheid. In het geval van de opgeëiste persoon gaat het om sympathiseren. Het is bovendien de vraag in hoeverre de Turkse autoriteiten daadwerkelijk op de hoogte zijn van de activiteiten van de opgeëiste persoon. Een zoekslag op Google leverde niets op en het social media-account lijkt een gedeeld account van de opgeëiste persoon en zijn familie te zijn. Enkele posts met een Koerdische vlag wisselen af met familiefoto’s en verjaardagen. Bovendien lijken de meeste ‘activistische’ berichten pas te zijn geplaatst sinds december 2024, maar daarvoor aanzienlijk minder. Daarom acht de officier van justitie de omstandigheden in de onderhavige zaak niet zodanig ernstig dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een flagrante inbreuk van recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat uit de door de raadsvrouw overgelegde rapporten een zorgwekkend beeld naar voren komt van de Turkse rechtsstaat. De door haar aangehaalde voorbeelden uit de rapporten en bronnen betreffen echter gevallen waarin personen worden vervolgd wegens hun politieke of activistische gedragingen of uitingen, vaak gepaard gaande met ernstige schendingen van fundamentele rechtsbeginselen en rechtsstatelijke garanties. In sommige gevallen is er zelfs een uitspraak van het EHRM, die door Turkse rechters wordt genegeerd. Hoewel deze gevallen aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid, zijn er in de beschikbare informatie omtrent de onderhavige zaak geen concrete aanwijzingen dat dit ook geldt voor de strafzaak tegen de opgeëiste persoon. Uit de overgelegde stukken en tijdens de behandeling van de zaak is niet gebleken dat de opgeëiste persoon ten tijde van het eerste contact met justitie in het kader van deze zaak in 2010 en zijn aanhouding in 2014 reeds zodanig activistisch was, dat dit bekend moet worden geacht bij de destijds bij het proces betrokken Turkse autoriteiten. De opgeëiste persoon is naar eigen zeggen na zijn eerste aanhouding tweemaal in Turkije gehoord over de verdenking en heeft daarbij korte tijd gedetineerd gezeten. Vervolgens is hij telkens weer heengezonden en is hij teruggekeerd naar Nederland. Dit strookt niet met de stelling dat sprake zou zijn van een vooropgezet plan om hem op basis van een valse verdenking naar Turkije uitgeleverd te krijgen. Als dat het geval zou zijn, hadden de Turkse autoriteiten hem immers al eerder vast kunnen houden in afwachting van de strafprocedure. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van misbruik van het uitleveringsrecht en dat de verdenking van een commuun delict tegen hem een vooropgezet plan zou zijn om hem te vervolgen vanwege zijn activisme voor de Koerdische kwestie. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de Turkse autoriteiten de uitlevering van de opgeëiste persoon daadwerkelijk verzoeken voor het genoemde commune strafbare feit, te weten het medeplegen van het vervoeren van een grote hoeveelheid heroïne.
De rechtbank sluit niet uit dat áls de Turkse autoriteiten bekend worden met de Koerdische achtergrond en overtuigingen van de opgeëiste persoon, dit mogelijk een negatieve invloed kan hebben op het proces van de opgeëiste persoon in Turkije. De omvang van deze invloed is echter niet duidelijk en kan ook niet worden afgeleid uit de rapporten, aangezien de opgeëiste persoon niet wordt vervolgd voor terrorisme of vanwege gedragingen die verband houden met zijn politieke overtuiging. Zodoende is de rechtbank van oordeel dat deze mogelijke dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro de hoge drempel van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro niet haalt. De rechtbank kan immers niet vaststellen dat de eventuele invloed van het Koerdisch activisme in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon zodanig zou kunnen zijn dat het zou neerkomen op de vernietiging van de essentie van het recht dat artikel 6 EVRM Pro beoogt te beschermen. Dreigende schendingen van artikel 6 EVRM Pro die de hoge drempel van de flagrante schending niet halen, kunnen niet door de rechtbank worden beoordeeld. De beoordeling van deze dreigende schendingen is voorbehouden aan de Minister. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

8.Aanhoudingsverzoek

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon, in het kader van zijn vervolging in Turkije, door de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam is gehoord op grond van een Turks rechtshulpverzoek. Dit verzoek was al in 2022 gedaan en om onduidelijke redenen heeft het verhoor pas enkele maanden geleden plaatsgevonden. De Turkse advocaat van de opgeëiste persoon heeft aangegeven dat de Turkse autoriteiten nog geen officiële versie van het verhoor hebben ontvangen en dat, zodra deze wordt ontvangen, de grondslag voor het bevel tot aanhouding in Turkije zal vervallen. In Turkije staat een zitting gepland in oktober 2026, waarop hierover meer duidelijkheid wordt verwacht. De raadsvrouw heeft daarom subsidiair verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden tot na de zitting in Turkije.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Turkse autoriteiten hebben bevestigd dat het verhoor geen aanleiding vormt tot het intrekken van het uitleveringsverzoek.
Het oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon is in het kader van zijn strafproces in Turkije via een rechtshulpverzoek in Nederland door de rechter-commissaris gehoord. Uit aanvullende informatie van 14 april 2026 blijkt dat de Turkse uitvaardigende autoriteiten het uitleveringsverzoek zullen handhaven, ook als de opgeëiste persoon naar aanleiding van het rechtshulpverzoek is gehoord. De uitlevering is niet afhankelijk gesteld van het verhoor in het rechtshulpverzoek. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. De rechtbank zal het aanhoudingsverzoek daarom afwijzen.

9.Advies aan de Minister

De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen de raadsvrouw hierover heeft aangevoerd, aanleiding om ten aanzien van de volgende punten een advies aan de Minister te geven.
9.1
De detentieomstandigheden in Turkije en artikelen 2 en 3 EVRM
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw voert aan dat de opgeëiste persoon in Turkse detentie een groot risico loopt op mishandeling en zelfs op overlijden.
Human Rights Watchschreef in 2020 over ‘
enforced disapperances and torture’ in Turkse detentie. Een Belgische NGO –
Solidarity with OTHERS– documenteerde in 2020 vijfentwintig abrupte verdwijningen van regeringscritici in Turkije in een omvangrijk rapport. In 2024 maakte een voormalig ambtenaar de gruwelijke details bekend van de martelingen die hij in Turkse detentie onderging. Hij was – net als velen – ontslagen na de massale zuivering van werknemers in de publieke sector na de coup. Hij zei dat hij gedwongen werd om informant te worden door middel van wrede ondervragingstechnieken zoals wurging, zware slagen op zijn ribben, verbaal geweld en bedreigingen. Hij had geen vrije toegang tot een advocaat. Uit de laatste drie ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, blijkt dat de gevangenissen in Turkije overbevolkt zijn. In november 2024 had het gevangeniswezen volgens het Turkse ministerie van Justitie een capaciteit van 299.000 gevangenen, terwijl er 371.000 gevangenen waren. Er was dus een ‘surplus’ van 72.000 gevangenen. De toegang tot medische zorg voor gevangenen is beperkt. Bijzonder zorgwekkend is dat sommige artsen hun diensten weigerden aan politieke opponenten. Er is sprake van foltering en fysieke mishandeling, maar ook van psychologische mishandeling. Personen die van terrorisme worden beschuldigd of vanwege hun politieke voorkeur worden vervolgd worden ernstig mishandeld. De Turkse autoriteiten zullen de opgeëiste persoon als een terrorist zien, gelet op zijn activiteiten voor de Koerdische beweging. Eind 2023 constateerde het EHRM een schending van artikel 3 EVRM Pro in verband met slechte detentieomstandigheden in Turkije. Het EEHRM constateerde onder meer dat acht gedetineerden tijdens hun detentie over minder dan drie vierkante meter persoonlijke leefruimte beschikten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over dreigende schendingen van artikelen 2 en 3 EVRM, aangezien het niet aan de rechtbank maar aan de Minister (en eventueel de civiele rechter in een daaropvolgend kort geding) is om hierover te beslissen. Ten aanzien van een eventueel advies hierover aan de Minister heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het advies van de rechtbank
De rechtbank is niet bevoegd een beslissing te nemen op een verweer inzake dreigende schending van artikelen 2 en 3 EVRM, omdat uitsluitend de Minister hiertoe bevoegd is. De rechtbank kan wel in een advies aan de Minister benoemen wat de zorgen rond de gestelde dreigende schending zijn. De rechtbank veronderstelt de Minister bekend met de door de raadsvrouw genoemde rapportages en met de zorgwekkende situatie van de detentieomstandigheden in Turkije. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat hieromtrent garanties zullen worden gevraagd aan de Turkse autoriteiten voordat de Minister over de uitlevering beslist. De rechtbank zal de Minister adviseren bij het vragen van dergelijke garanties rekening te houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon van Koerdische afkomst is en zich publiekelijk heeft uitgelaten over de Koerdische kwestie.
9.2
Terugkeergarantie
Omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, geldt op grond van artikel 4 UW Pro dat hij alleen mag worden uitgeleverd als naar het oordeel van de Minister is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf daar te ondergaan.
De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 14 april 2026 van de Turkse ambassade aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een terugkeergarantie verstrekt. In de garantie staat:

The Ministry of Justice of the Republic of Türkiye declares that a person whose extradition is requested from the Netherlands in order to be investigated or prosecuted in Türkiye, shall be sent to the Netherlands within the procedure of transfer of sentenced persons, where (1) any criminal sanction requiring the deprivation of liberty was imposed upon him and became final after his extradition to Türkiye and (2) the conditions set out in Article 3 of the Convention on the Transfer of Sentences Persons and conditions set out in Law No 6706 on International Judicial Cooperation in Legal matters are met. In respect of such person, Ministry of Justice of the Republic of Türkiye declares that it shall consent to application of the procedure of “execution of sentence after conversion” as per Article 11 of the Convention.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat deze terugkeergarantie te vrijblijvend en niet onvoorwaardelijk is en dat daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 UW Pro. Deze terugkeergarantie biedt volgens de raadsvrouw onvoldoende zekerheden dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk zal worden teruggeleverd door Turkije na voltooiing van zijn strafzaak.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugkeergarantie volstaat, omdat deze voor iedere persoon hetzelfde is. Daarbij is het aan de Minister om een onvoorwaardelijke, specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon afgegeven terugkeergarantie te verlangen.
Het advies van de rechtbank
De Turkse uitvaardigende autoriteiten hebben in het uitleveringsverzoek vermeld dat een persoon, die in verband met een strafrechtelijk onderzoek of voor strafvervolging naar Turkije is uitgeleverd door Nederland, na eventuele definitieve veroordeling naar Nederland kan worden overgebracht voor aanpassing en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf op grond van het Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen (VOGP), voor zover aan de voorwaarden die in dat verdrag zijn gesteld is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat er over de overbrenging overeenstemming tussen de betrokken lidstaten moet zijn. De vereiste terugkeergarantie als bedoeld in artikel 4 UW Pro is nu juist bedoeld om op voorhand te garanderen dat die vereiste overeenstemming er zal zijn. Die garantie is in het geval van de opgeëiste persoon niet gegeven. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de Minister te adviseren om van de Turkse autoriteiten, in geval van toestemming voor uitlevering, te verlangen dat een specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon gegeven onvoorwaardelijke terugkeergarantie wordt gegeven, waarin staat dat de aan hem op te leggen vrijheidsbenemende straf ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd, door hem in Nederland kan worden ondergaan, voor zover aan de overige voorwaarden in het VOGP is voldaan.

10.Slotsom

Omdat ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

11.Toepasselijke wetsartikelen.

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;
de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV.

12.Beslissing.

Verklaart
TOELAATBAARde door Turkije verzochte uitlevering van
[de opgeëiste persoon]voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals bedoeld in het arrestatiebevel ​​​​​​(
Warrant of arrest) van 7 oktober 2025 dat is uitgevaardigd door de
Edirne 3 rd High Criminal Court,met referentie: 2021/219 en zoals nader omschreven onder het kopje “FACTS RELATING TO THE COMMISSION OF THE OFFENSE:” in de brief van 7 oktober 2025 van de
Edirne 3rd High Criminal Court.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juli 2025.
Ingevolge artikel 31 van Pro de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond.
2.Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6.
3.Zie EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259.
4.EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (Othman/Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer, par. 260. Zie later ook o.a. EHRM 15 juni 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0615DEC007153714 (Harkins/Verenigd Koninkrijk), par. 62-65.
6.European Commission, Türkiye 2023 report, SWD(2023) 696, EUR-Lex - 52023SC0696 - EN - EUR-Lex (
7.PACE,
11.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.