ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8673
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.W.G.M. Stienissen
- D. Hund
- A.J. Kromhout
- Rechtspraak.nl
Niet-aftrekbaarheid dotatie lijfrenteverplichting bij verhanging aandelenkoopprijs
De zaak betreft een fiscale procedure tussen een vennootschap en de Inspecteur van de Belastingdienst over de aftrekbaarheid van een dotatie aan een lijfrenteverplichting in 2002. De enig aandeelhouder, een inwoner van Zwitserland, had in 1998 zijn aandelen in een vennootschap verkocht aan een door hemzelf opgerichte Nederlandse houdstermaatschappij. De koopsom bleef schuldig en werd in 1999 omgezet in een lijfrenteverplichting.
De rechtbank oordeelt dat deze omzetting kwalificeert als een 'verhanging' in de zin van artikel 10a, lid 2, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb). De dotatie aan de lijfrenteverplichting is daardoor niet aftrekbaar, omdat er geen in overwegende mate zakelijke redenen zijn voor deze constructie. De rechtbank wijst het beroep van belanghebbende af en bevestigt de aanslag vennootschapsbelasting.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de lijfrenteverplichting niet gelijkgesteld kan worden met een geldlening en dat de constructie een oudedagsvoorziening betreft. De rechtbank verwierp deze argumenten en oordeelde dat de regeling niet in strijd is met het EG-verdrag, met name artikel 56 over Pro de vrijheid van kapitaalverkeer. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 23 december 2005.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en acht de dotatie aan de lijfrenteverplichting niet aftrekbaar.