ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ0752
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek lijfrentepremie wegens verkoop melkquotum vóór oprichting BV
Belanghebbende exploiteerde een onderneming met melk- en mestvee en een minicamping en wilde deze inbrengen in een BV. Volgens een voorovereenkomst werd de onderneming per 1 juni 2000 voor rekening en risico van de BV gedreven, die op 14 februari 2001 werd opgericht. Voor de stakingswinst uit de verkoop van het melkquotum werd een lijfrente bedongen bij de BV, waarvoor aftrek werd geclaimd.
De rechtbank stelt vast dat het melkquotum op 26 juni 2000 aan derden werd verkocht, vóór de oprichting van de BV en het sluiten van de lijfrenteovereenkomst. Hierdoor kan de lijfrente niet worden gezien als tegenprestatie voor de overdracht van het melkquotum aan de BV. Belanghebbende betoogde dat de verkoop van het melkquotum geen staking was, maar dat maakt juridisch niet uit.
De rechtbank verwijst naar de wet en jurisprudentie dat lijfrentepremies alleen aftrekbaar zijn indien zij zijn bedongen als tegenprestatie voor overdracht van een onderneming of deel daarvan. Omdat het melkquotum niet meer tot de onderneming behoorde bij oprichting van de BV, is aftrek niet mogelijk. Het verzoek van belanghebbende om alsnog een lijfrenteovereenkomst met een verzekeraar te sluiten wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de lijfrentepremie niet aftrekbaar is wegens verkoop melkquotum vóór oprichting BV.