ECLI:NL:RBBRE:2006:BF0130
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing invorderingsfaciliteit Natuurschoonwet bij successierecht
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de invorderingsfaciliteit van artikel 7 van Pro de Natuurschoonwet 1928 (NSW) bij de bepaling van het verschuldigde successierecht over een nalatenschap. De nalatenschap omvat een landgoed dat als publiek toegankelijk landgoed is aangemerkt. De echtgenote van de overledene heeft het landgoed verkregen, terwijl de kinderen een geldvordering op haar hebben verkregen.
Belanghebbende stelt dat de invorderingsfaciliteit ook van toepassing moet zijn op haar geldvordering als erfgenaam, terwijl de inspecteur dit ontkent. De rechtbank stelt vast dat de wettekst van artikel 7 NSW Pro de faciliteit uitsluitend toepast op verkrijgingen van onroerende zaken en niet op andere verkrijgingen zoals geldvorderingen.
De rechtbank wijst het beroep af omdat het niet mogelijk is om af te wijken van de duidelijke wettekst op grond van de bedoeling van de wetgever of parlementaire geschiedenis. Ook eerdere arresten van de Hoge Raad die betrekking hebben op andere artikelen van de Successiewet zijn hier niet van toepassing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag successierecht wordt gehandhaafd zonder toepassing van de invorderingsfaciliteit.