ECLI:NL:RBBRE:2007:BB8343
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Indeling alcoholhoudende dranken voor accijns op basis van wezenlijk karakter vruchtenwijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de accijnsheffing over een partij alcoholhoudende dranken die zijn bereid op basis van door gegisting van fruit ontstane alcohol, een soort vlakke, witte vruchtenwijn. De inspecteur had deze dranken ingedeeld onder een hogere accijnstariefpost voor likeuren, terwijl belanghebbende stelde dat het ging om niet-mousserende tussenproducten met een lager tarief.
De rechtbank stelde vast dat het basisingrediënt van de producten de vergiste alcohol was en dat deze het wezenlijke karakter van de dranken bepaalt. Hoewel er gedistilleerde alcohol en smaakstoffen aan werden toegevoegd, bleef het alcoholgehalte van de vergiste alcohol dominant en was het karakter van de vruchtenwijn herkenbaar, zoals bevestigd door een medewerker van het Douanelaboratorium.
Op grond van de gecombineerde nomenclatuur en vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG concludeerde de rechtbank dat de producten onder de tariefpost voor niet-mousserende tussenproducten vallen. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en teruggaaf van teveel betaalde accijns toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de dranken onder de lagere accijnstariefpost voor niet-mousserende tussenproducten vallen.