ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2011
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dubbele belastingheffing bij verkrijging aandelen onroerendezaaklichaam uit nalatenschap niet-inwoner
De zaak betreft een geschil over de heffing van successierecht in Nederland op aandelen in een onroerendezaaklichaam die zijn verkregen uit de nalatenschap van een erflater die woonde in België, maar volgens de woonplaatsfictie als inwoner van Nederland werd beschouwd. Belanghebbende betwistte dat Nederland geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleende voor deze aandelen.
De rechtbank behandelde het beroep tegen de aanslag successierecht en stelde vast dat de aandelen volgens de Nederlandse Successiewet als onroerende zaken worden aangemerkt, terwijl België deze als roerend vermogen kwalificeert. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft geoordeeld dat erfopvolgingen kapitaalverkeer vormen en dat lidstaten een zekere autonomie hebben bij de heffing van successierecht, zonder verplicht te zijn hun stelsels op elkaar af te stemmen.
De rechtbank concludeerde dat de Nederlandse wetgeving en het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, ook al leidt dit tot dubbele belastingheffing. De aanslag werd verminderd tot € 166.322 en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De aanslag successierecht werd verminderd tot € 166.322 en de Nederlandse wetgeving werd niet in strijd bevonden met het gemeenschapsrecht.