ECLI:NL:RBBRE:2010:BL8858
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing 30%-regeling op inkomen uit opties na beëindiging dienstbetrekking
Belanghebbende, een Amerikaanse staatsburger, heeft van 2001 tot en met 2005 in Nederland gewerkt en was toen gerechtigd tot toepassing van de 30%-regeling op zijn loon. Na beëindiging van zijn dienstverband in Nederland eind 2005 keerde hij terug naar de Verenigde Staten. In de jaren 2001-2005 had hij voorwaardelijke optierechten verkregen die pas na 31 december 2005 onvoorwaardelijk werden.
De kern van het geschil was of de 30%-regeling ook van toepassing is op het in 2006 genoten voordeel uit deze opties. De inspecteur stelde dat de regeling eindigde per 31 december 2005 en niet geldt voor inkomen uit opties die na beëindiging van de dienstbetrekking onvoorwaardelijk werden. Belanghebbende stelde dat de regeling gedurende maximaal tien jaar geldt vanaf het begin van de dienstbetrekking, ongeacht verblijf in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de 30%-regeling, zoals voortvloeiend uit artikel 9 van Pro het Uitvoeringsbesluit LB en de toelichting in het Staatsblad 2000, geen materiële wijziging kent ten opzichte van de oude 35%-regeling wat betreft de geldigheidsduur. De regeling geldt voor alle loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf in Nederland, ook voor inkomen genoten na vertrek uit Nederland. De toevoeging van het woord "maximaal" in artikel 9b leidt niet tot een beperking van het toepassingsbereik, maar tot een maximale duur van tien jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 1.604.222. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 1.604.222.