ECLI:NL:PHR:2012:BU8932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de 30%-regeling op voordelen uit optierechten na emigratie
Belanghebbende, een Amerikaanse staatsburger, werkte van november 2002 tot december 2005 als statutair bestuurder in Nederland en had recht op de 30%-regeling. Hij ontving in 2006 een aanzienlijk voordeel uit de uitoefening van aandelenopties die tijdens zijn dienstverband waren toegekend maar pas na emigratie onvoorwaardelijk werden.
De Inspecteur paste de 30%-regeling niet toe op dit optievoordeel, wat leidde tot bezwaar en beroep bij de Rechtbank Breda en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, die het bezwaar gegrond verklaarden en de 30%-regeling toepasten. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad oordeelde dat het optievoordeel loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is en dat de 30%-regeling ook geldt voor voordelen die na emigratie onvoorwaardelijk worden, zolang deze toe te rekenen zijn aan de periode waarin belanghebbende als ingekomen werknemer in Nederland werkte en de looptijd van de regeling niet is verstreken.
De Raad verwierp het standpunt dat de regeling stopt bij het einde van het verblijf of de dienstbetrekking in Nederland en bevestigde dat de forfaitaire aard van de regeling inhoudt dat extraterritoriale kosten niet daadwerkelijk gemaakt hoeven te worden. De Staatssecretaris' beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt de toepassing van de 30%-regeling op het optievoordeel.