ECLI:NL:RBBRE:2012:BV5304
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid verlengde navorderingstermijn en boetevermindering in vermogensbelastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de inspecteur de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) terecht heeft toegepast bij het opleggen van een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 2000.
De inspecteur beschikte over gegevens van een buitenlandse bankrekening van belanghebbende en legde ruim twee jaar later de navorderingsaanslag op. Gedurende deze periode hebben partijen intensief gecorrespondeerd en onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst, waarbij de rechtbank oordeelt dat dit tijdsverloop niet onredelijk is en de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Daarnaast is de vergrijpboete wegens undue delay aan de orde. De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn overschrijdt, maar dat de vertraging deels aan belanghebbende zelf is toe te rekenen. Daarom wordt de boete met 20% verminderd. Belanghebbende vordert tevens een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wijst dit af omdat de termijn niet onredelijk is overschreden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot € 64.127. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De navorderingsaanslag blijft in stand, maar de boete wordt met 20% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.