ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2086
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde bedrijfsruimte en procedurele overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn bedrijfsruimte, die was vastgesteld op €412.000 per waardepeildatum 1 januari 2009. De heffingsambtenaar onderbouwde deze waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarvan sommige echter te ver verwijderd waren van de waardepeildatum. De rechtbank oordeelde dat noch de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde, noch de door belanghebbende geclaimde waarde van €326.000 voldoende aannemelijk was.
Na zorgvuldige weging stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €400.000. Tevens werd het beroep gegrond verklaard, de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig verminderd en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Daarnaast constateerde de rechtbank dat sinds ontvangst van het bezwaarschrift ruim 2,5 jaar was verstreken, wat het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep wekte. Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over immateriële schadevergoeding, waarbij de Minister van Veiligheid en Justitie als partij werd betrokken.
De uitspraak werd gedaan door rechter W.A.P. van Roij en griffier mr. T.A. Mandemakers op 16 oktober 2012. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast op €400.000, verklaart het beroep gegrond en heropent het onderzoek voor immateriële schadevergoeding.