ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2377
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep belastingvrijstelling en pensioenpremieaftrek met toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2004 waarbij zijn inkomen uit sparen en beleggen werd belast, ondanks zijn beroep op belastingvrijstelling op grond van het Verdrag van Ottawa en aftrek van pensioenpremies. De inspecteur handhaafde de aanslag en de rechtbank oordeelde dat de vrijstelling niet doorwerkt naar het inkomen uit sparen en beleggen en dat de pensioenpremies niet aftrekbaar zijn als negatief loon.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende op vernietiging van de aanslag wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar kende wel een immateriële schadevergoeding toe van € 3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroepsfase. Tevens werd geoordeeld dat de heffingsrente terecht in rekening is gebracht en dat de heffingskortingen juist zijn vastgesteld.
De rechtbank wees het verzoek om aanhouding van de zaak af, oordeelde dat belanghebbende voldoende gelegenheid had zijn gronden toe te lichten en dat de inspecteur zijn standpunt voldoende had gemotiveerd. De uitspraak werd gedaan op 24 oktober 2012 door rechter M.M. de Werd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2004 wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.