ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2579
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens te vroege oplegging en strijdigheid 12%-regeling met EU-recht
Belanghebbende deed in mei 2010 aangifte BPM voor een ingevoerde gebruikte personenauto en betaalde het aangegeven bedrag. De inspecteur legde kort daarna een naheffingsaanslag op. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de naheffingsaanslag onrechtmatig was omdat deze was opgelegd voordat de BPM daadwerkelijk verschuldigd was, namelijk bij registratie van de auto. Tevens betwistte hij de wettelijke 12%-regeling voor afschrijving, die volgens hem in strijd was met het EU-recht.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag inderdaad te vroeg was opgelegd, omdat de BPM pas bij registratie van de auto verschuldigd wordt. De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslag. Daarnaast volgde de rechtbank het arrest van de Hoge Raad dat de 12%-regeling in strijd is met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en paste de BPM-berekening dienovereenkomstig aan.
Ten aanzien van de proceskosten wees de rechtbank een forfaitaire vergoeding toe en weigerde vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten, omdat de inspecteur niet onzorgvuldig had gehandeld of een volstrekt onverdedigbaar standpunt had ingenomen. De rechtbank wees ook op eerdere rechtspraak die het standpunt van de inspecteur tot aan het arrest van de Hoge Raad verdedigbaar maakte.
De rechtbank besloot het beroep gegrond te verklaren, de naheffingsaanslag te vernietigen, de BPM te verminderen tot € 1.009, en de inspecteur te veroordelen tot een beperkte proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt vernietigd en de BPM verminderd tot € 1.009 wegens te vroege oplegging en strijdigheid van de 12%-regeling met EU-recht.