ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8882
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering ongeloofwaardigheid en voordeel van de twijfel
Verzoekster, afkomstig uit Eritrea, diende een asielaanvraag in nadat zij eerder met een verblijfsvergunning voor studie en zoekjaar in Nederland verbleef. Zij stelde dat zij uit militaire dienst was gedeserteerd en vreest bij terugkeer bestraft te worden. Verweerder wees de aanvraag af en motiveerde dat verzoekster niet geloofwaardig was, mede vanwege het late tijdstip van de aanvraag en het bezit van een paspoort met uitreisvisum.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder ten onrechte niet het voordeel van de twijfel aan verzoekster had gegeven, aangezien zij goede redenen had voor het late indienen van de aanvraag en haar verklaringen consistent waren met openbare informatie, waaronder een ambtsbericht over Eritrea. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom verzoekster niet geloofwaardig zou zijn en waarom zij niet zou worden beschermd op grond van artikel 3 EVRM Pro.
Verder werd geoordeeld dat de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg is van de afwijzing van de aanvraag en niet discretionair is. Het feit dat er momenteel geen gedwongen uitzettingen naar Eritrea plaatsvinden, doet hieraan niet af. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de opvang van verzoekster wordt voortgezet. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.