ECLI:NL:RBDHA:2014:12850
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over niet-aangegeven omzet 2008
In deze zaak gaat het om navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2008. Verweerder heeft bedragen die eiser niet als omzet had aangegeven, als omzet bijgeteld en daarop navorderingsaanslagen opgelegd.
Eiser betoogde dat de bedragen betrekking hadden op depotnota’s die dienden als zekerheid voor toekomstige werkzaamheden en daarom niet tot de omzet van 2008 behoorden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om dit aannemelijk te maken. De door eiser overgelegde nota’s waren in 2008 uitgereikt en betaald, en verweerder had deze terecht tot de omzet gerekend.
Daarnaast werd het verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de uitspraak binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift was gedaan.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslagen; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.