Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2015 in de zaak tussen
[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser),
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Uit diezelfde uitspraak volgt voorts dat het bestuursorgaan zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstand, voor zowel de periode voorafgaand aan als vanaf de inwerkingtreding van de Wwb, ontleent aan de artikelen 54, 58 en 59 van de Wwb.
Voor de vraag of eisers over vermogen beschikken dan wel redelijkerwijs kunnen beschikken, stelt de rechtbank voorop dat eisers niet hebben bestreden dat eiser het volledige eigendom heeft over de gronden waarop het appartementencomplex is gevestigd. Eiser heeft bij zijn verhoor op 30 september 2014 verklaard dat de grond waarop de opstal (appartementencomplex) is gevestigd, veertig jaar geleden door hem is aangekocht en dat hierop vervolgens is gebouwd. Gelet hierop is de veronderstelling gerechtvaardigd dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover eisers beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat eiseres niet kan beschikken over dit vermogen, nu op grond van het Turks vermogensrecht het eigendom van eiser niet zondermeer tot het eigendom van eiseres kan worden gerekend, slaagt dit betoog niet. De bijstand is voor het grootste deel van de periode in geding aan eisers gezamenlijk als gezinsbijstand verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 42 van Pro de Abw en artikel 31 van Pro de Wwb is voor het bepalen van het recht op bijstand het vermogen van alle gezinsleden van belang. Voor zover eiseres een klein deel van de periode in geding bijstand naar de norm van een alleenstaande heeft ontvangen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het vermogen van eiser ook in deze periode van belang is voor het bepalen van het recht op bijstand. Eiseres heeft immers in het confrontatiegesprek van 30 september 2014 zelf verklaard dat eiser en zijzelf in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Daarmee behoren de genoemde bezittingen (de bouwgrond) van eiser ook tot haar vermogen. Eisers hebben, mede in het licht van de verklaring van eiseres, onvoldoende onderbouwd dat het tegendeel het geval is.
Beslissing
mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2015.