Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2015 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [plaats] , eiser,
[plaats] verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- dat het gedeelte van de pensioenuitkeringen dat voortvloeit uit aanspraken die reeds bestonden op 31 december 1994 (Deel I van de pensioenuitkeringen), voor de inkomstenbelasting geheel is vrijgesteld door toepassing van artikel 38 Wet Pro op de loonbelasting 1964 (Wet LB);
- dat het gedeelte van de pensioenuitkeringen dat voortvloeit uit aanspraken die zijn opgebouwd van 1 januari 1995 tot en met 13 september 1999 plus een deel van de pensioenaanspraak opgebouwd in de periode van 14 september 1999 tot einde dienstverband (Deel II van de pensioenuitkeringen), tot het belastbare inkomen uit werk en woning behoort en dient te worden belast met toepassing van de saldomethode van artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) via artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001);
- dat het gedeelte van de pensioenuitkeringen dat voortvloeit uit aanspraken die zijn opgebouwd van 14 september 1999 tot einde dienstverband minus hetgeen wordt toegerekend aan Deel II van de pensioenuitkeringen (Deel III van de pensioenuitkeringen), (deels) behoort tot het belastbare inkomen uit werk en woning en is belast op basis van artikel 3.82 Wet IB 2001 en/of (deels) behoort tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en als zodanig is belast (splitsingsmethode).
- Met betrekking tot Deel I van de pensioenuitkeringenAnders dan in de zaak waarin de Hoge Raad heeft beslist het geval was, was met betrekking tot het ESA-pensioen in de periode tot 1 januari 1995 geen sprake van een pensioenregeling die naar maatschappelijke opvattingen onredelijk was, zodat de pensioenaanspraak niet tot het loon hoefde te worden gerekend. Daardoor is artikel 38 Wet Pro LB niet van toepassing en zijn de pensioenuitkeringen in zoverre gewoon belast.
- Met betrekking tot Deel II van de pensioenuitkeringenZo sprake zou zijn van een te verrekenen saldo, had dit op grond van de letterlijke tekst van artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 reeds in de eerste jaren waarin een pensioenuitkering werd ontvangen, verrekend moeten worden, zodat, nu de aanslagen over deze eerste jaren reeds onherroepelijk vaststaan, een eventueel saldo formeel niet meer kan worden verrekend.
- Met betrekking tot Deel III van de pensioenuitkeringenWeliswaar zou over een klein deel van de pensioenuitkering toe te rekenen aan de periode vanaf 14 september 1999 de splitsingsmethode moeten worden toegepast, maar nu het in zoverre om een zeer gering bedrag gaat en buitengewoon complexe berekeningen ervoor gemaakt zouden moeten worden, is om doelmatigheidsredenen hieraan voorbijgegaan.
- of Deel I van de pensioenuitkeringen onbelast is, omdat het ESA-pensioen in de periode tot 1995 ongebruikelijk was;
- of de saldomethode (alsnog) kan worden toegepast op Deel II van de pensioenuitkeringen;
- of verweerder terecht niet de splitsingsmethode heeft toegepast op Deel III van de pensioenuitkeringen;
- of sprake is van een schending van het vertrouwens- en/of gelijkheidsbeginsel;
- of eiser recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de periode 2000-2006.
4 jaar en (afgerond) 3 maanden geduurd.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover dit zich richt tegen de aanslag IB/PVV 2007 ongegrond;
- verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2000 tot en met 2006;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 59,80;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden.