ECLI:NL:RBDHA:2015:13461
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning kinderpardon wegens onvoldoende medewerking vertrek
Eisers, allen Iraakse nationaliteit, dienden een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden onder de definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen vanwege het niet voldoen aan het meewerkcriterium, waarbij eisers onvoldoende medewerking zouden hebben verleend aan hun vertrek uit Nederland.
De rechtbank overwoog dat de regeling beleidsvrijheid biedt en het meewerkcriterium niet onredelijk is. Uit het rapport van de Dienst Terugkeer en Vertrek bleek dat de ouders van de hoofdpersoon herhaaldelijk verklaarden niet terug te willen keren naar Irak en niet gebruik wilden maken van hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie. Dit leidde tot de conclusie dat eisers zich niet coöperatief hebben opgesteld.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het gedrag van de ouders aan de kinderen kan worden toegerekend, mede gelet op het risico van misbruik van de regeling. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 4:84 Awb Pro faalde eveneens. De rechtbank stelde vast dat de belangen van de kinderen voldoende zijn betrokken bij de regeling en dat er geen sprake is van discriminatie of onrechtvaardig onderscheid.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens onvoldoende medewerking aan vertrek.