ECLI:NL:RBDHA:2015:14723
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Rij
- E. Kouwenhoven
- R.C.H.M. Lips
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bedrijfsopvolgingsfaciliteit wegens ontbreken materiële onderneming OG BV
Erflater was samen met zijn echtgenote aandeelhouder in OG BV en D BV, waarbij OG BV twaalf panden verhuurt aan D BV, die deze weer doorverhuurt aan horecagelegenheden. De erfgenamen vroegen toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) voor de verkrijging van aandelen OG BV. De inspecteur wees dit af omdat OG BV volgens hem geen onderneming drijft die normaal vermogensbeheer overstijgt. De rechtbank sluit zich hierbij aan omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de verhuuractiviteiten van OG BV een materiële onderneming vormen. De werkzaamheden van erflater waren vooral ten behoeve van D BV en niet OG BV, en er is geen bewijs van een hoger rendement dan normaal vermogensbeheer.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat geen toezegging of standpunt van de inspecteur is gebleken dat OG BV een onderneming drijft, ondanks de geruisloze inbreng van de panden 22 jaar eerder. Ook de vorming van een herinvesteringsreserve in 2005 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt afgewezen omdat OG BV geen materiële onderneming drijft.