ECLI:NL:RBDHA:2015:14732
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Rij
- E. Kouwenhoven
- R.C.H.M. Lips
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bedrijfsopvolgingsfaciliteit wegens ontbreken materiële onderneming OG BV
Erflater en zijn echtgenote hadden samen 100% belang in OG BV, die twaalf panden bezit die verhuurd worden aan D BV, een drankengroothandel. OG BV verhuurt deze panden aan D BV, die ze doorverhuurt aan horecagelegenheden. Na overlijden van erflater vorderden de erfgenamen toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) op de aandelen OG BV.
De inspecteur wees dit af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de activiteiten van OG BV normaal vermogensbeheer overstijgen. De rechtbank bevestigt dit oordeel: de verhuuractiviteiten van OG BV zijn beperkt tot verhuur aan één huurder (D BV) en er is geen bewijs dat OG BV een materiële onderneming drijft. De werkzaamheden van erflater betroffen vooral D BV en niet OG BV, en er is geen sprake van risico of een hoger rendement dan normaal vermogensbeheer.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt eveneens verworpen. Hoewel de panden 22 jaar eerder geruisloos in OG BV zijn ingebracht, is geen toezegging of standpunt van de inspecteur gebleken dat OG BV een onderneming drijft. Ook correspondentie over een herinvesteringsreserve in 2005 biedt onvoldoende basis voor een dergelijk vertrouwen.
De rechtbank oordeelt dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 11 december 2015.
Uitkomst: Het beroep op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt afgewezen wegens ontbreken van een materiële onderneming door OG BV.