ECLI:NL:RBDHA:2015:14736
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Rij
- E. Kouwenhoven
- R.C.H.M. Lips
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bedrijfsopvolgingsfaciliteit wegens ontbreken materiële onderneming OG BV
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) bij de verkrijging van aandelen in OG BV na het overlijden van de erflater. OG BV bezit twaalf panden die worden verhuurd aan D BV, welke de panden doorverhuurt aan horecagelegenheden. De erfgenamen vorderen toepassing van de BOR, stellende dat OG BV een materiële onderneming drijft vanwege de verhuuractiviteiten en het hogere rendement dan normaal vermogensbeheer.
De inspecteur wees het beroep op de BOR af, wat door de rechtbank werd bekrachtigd. De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat de verhuuractiviteiten van OG BV een onderneming vormen, mede omdat OG BV slechts verhuurt aan één huurder (D BV) en geen risico loopt op de doorverhuur. Ook het hogere rendement werd niet overtuigend aangetoond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen bewuste toezegging of standpuntbepaling van de inspecteur is gebleken die het vertrouwen rechtvaardigt.
De rechtbank concludeerde dat OG BV geen materiële onderneming drijft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en dat de BOR daarom niet van toepassing is. De uitspraak op bezwaar was voldoende gemotiveerd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt afgewezen omdat OG BV geen materiële onderneming drijft en het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.