ECLI:NL:RBDHA:2015:16286
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens niet meewerken vertrek en toerekening aan kinderen
Eisers, een gezin van Armeense nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning regulier aan met het verblijfsdoel 'humanitair niet tijdelijk'. De Staatssecretaris wees dit af omdat de moeder niet meewerkte aan het vertrek, wat volgens de Vreemdelingencirculaire een contra-indicatie vormt. Eisers voerden aan dat deze contra-indicatie niet in bezwaar was genoemd en dat dit hun rechtspositie schaadde. De rechtbank oordeelde dat in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt en dat de contra-indicatie alsnog mocht worden toegepast zonder schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
Eisers stelden dat het niet meewerken van de moeder niet aan de kinderen kon worden toegerekend en dat dit discriminatoir was. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bestuursrechtspraak waarin is bepaald dat zwaarwegende migratiebelangen het toerekenen van het gedrag van ouders aan kinderen rechtvaardigen. Er was geen sprake van strijd met het discriminatieverbod uit het IVRK of met artikel 8 EVRM Pro omdat het gezin niet rechtmatig in Nederland verbleef en het besluit niet tot scheiding leidde.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Stoové op 12 november 2015.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.