ECLI:NL:RBDHA:2015:6930
Rechtbank Den Haag
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding voor ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis met verhoogde vergoeding wegens media-aandacht
Verzoeker was van 27 juni 2012 tot 10 juli 2012 in verzekering gesteld en voorlopige hechtenis genomen, in totaal 13 dagen. De strafzaak tegen hem eindigde in vrijspraak bij onherroepelijk vonnis van 28 november 2014. Hij verzocht op grond van artikel 89 Sv Pro om vergoeding van immateriële schade en gederfde inkomsten.
De rechtbank overwoog dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade kan worden verhoogd in uitzonderlijke gevallen, zoals bij veel media-aandacht die de immateriële schade vergroot. Verzoeker stelde dat hij door de mediabelangstelling bovengemiddelde schade had geleden. De rechtbank achtte dit aannemelijk en kende een hogere vergoeding toe dan het standaardbedrag, maar niet in de door verzoeker gevraagde mate.
Voor de immateriële schade werd €157,50 per dag voor de drie dagen in verzekering en €120,00 per dag voor de tien dagen voorlopige hechtenis toegekend, samen €1.672,50. Voor de gederfde inkomsten werd op basis van netto-loon een bedrag van €985,00 toegekend, verminderd met €130,00 voor bespaarde kosten van levensonderhoud. De totale vergoeding bedroeg €2.527,50.
De rechtbank wees het verzoek voor een hogere vergoeding af en volgde niet het betoog dat verzoeker als bekende Nederlander moest worden aangemerkt. De beslissing werd op 2 juni 2015 uitgesproken door rechter J.B. Wijnholt.
Uitkomst: De rechtbank kent verzoeker een schadevergoeding van €2.527,50 toe voor immateriële schade en gederfde inkomsten door ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis.