ECLI:NL:RBDHA:2016:1090
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- H.C. Hagen
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring asielzoeker wegens onevenredigheid en lopende prejudiciële vragen
Eiser, een Iraanse asielzoeker, was op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld met het oog op identificatie en het verkrijgen van gegevens voor de verblijfsvergunning. De rechtbank heeft prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betrokken over de geldigheid van bepalingen uit de Opvangrichtlijn die ten grondslag liggen aan de bewaring.
De rechtbank overwoog dat het belang van de Staat bij voortzetting van de bewaring niet opweegt tegen het belang van eiser om zijn asielprocedure in vrijheid af te wachten, mede omdat eiser geen gevaar vormt voor de openbare orde en zijn asielverzoek al was ingediend voordat de bewaring werd opgelegd. Ook is onzeker wanneer het HvJ de prejudiciële vragen zal beantwoorden.
Daarom acht de rechtbank de bewaring onevenredig en onrechtmatig vanaf het moment van oplegging. Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven wegens onevenredigheid en onrechtmatigheid; de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.