Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
mogenimplementeren. . Deze bepaling zou overbodig zijn wanneer al in het begrip ‘nieuw element of bevinding’ een verwijtbaarheidstoets ligt besloten. Blijkens de implementatiegeschiedenis van de herziene Procedurerichtlijn heeft de Nederlandse regering de verwijtbaarheidstoets van artikel 40, vierde lid, van die richtlijn niet geïmplementeerd. Dit betekent dat verweerder geen gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Hieruit volgt dat eiser – ten aanzien van een aantal van de thans overgelegde nieuwsberichten – niet kan worden verweten dat hij de nieuwsberichten niet in de eerste asielprocedure heeft overgelegd. Mede gelet op artikel 3 van Pro het EVRM is verweerder gehouden de opvolgende aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Daarbij komt dat ook buiten het kader van artikel 4:6 van Pro de Awb de verplichting geldt te toetsen aan de Bahaddar-exceptie. Bovendien heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van een bronvermelding de nieuwsberichten van bewijswaarde ontdoet. Verder neemt eiser slechts aan dat [persoon B] de informatie heeft verstuurd die op de overgelegde websitepublicaties is gepubliceerd. Echter, zelfs als aangenomen moet worden dat zij de informatie heeft verstuurd dan betekent dit niet zonder meer dat de informatie niet afkomstig is uit objectieve bron. Hierbij is van belang dat [persoon B] naast een vriendin van eiser ook een collega was van eiser. Het was haar werk om nieuws te verzamelen en door te verkopen. Bovendien is niet op voorhand uitgesloten dat bedoelde websites zelf onderzoek hebben verricht. Verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom aan dergelijke documenten geen bewijskracht dient te worden toegekend. Ditzelfde geldt voor de informatie die eiser mondeling via zijn moeder heeft verkregen. Vanwege de lastige bewijspositie van asielzoekers dient ook waarde te worden toegekend aan de verklaringen van familieleden. Eiser heeft in dit verband gewezen op het arrest van het EHRM van 6 maart 2011 in de zaak Hilal tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 45276/99 (ECLI:CE:ECHR:2001:0306JUD004527699).