ECLI:NL:RVS:2007:BA3687
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen nieuwe feiten of omstandigheden hernieuwde toetsing verblijfsvergunning rechtvaardigen
De zaak betreft een hoger beroep van de Minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gegrond verklaarde. De vreemdeling had onder meer aangevoerd dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren, zoals bedreigingen vanwege voodoo-praktijken en een opschorting van uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo.
De rechtbank had geoordeeld dat de aangevoerde feiten als nieuw moesten worden beschouwd en dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd. De Raad van State stelt echter dat de enkele datering van stukken na het eerdere besluit niet automatisch betekent dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.
De Raad van State overweegt dat de anonieme en ongedateerde brieven niet afkomstig zijn uit een objectieve en verifieerbare bron en dat de overige stukken onvoldoende zijn om de gestelde bedreigingen als nieuw of veranderde omstandigheden aan te merken. Ook is de tijdelijke opschorting van uitzettingen naar de DRC niet relevant als wijziging van het recht.
Daarom verklaart de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of relevante wetswijzigingen zijn aangevoerd die hernieuwde toetsing rechtvaardigen.