ECLI:NL:RBDHA:2016:6589
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening en gebruik niet-beëdigde tolk
Eiser, van Albanese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, maar verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, maar verscheen niet op de zitting.
Eiser voerde aan dat bij het aanmeldgehoor onterecht een niet-beëdigde tolk werd ingezet, wat volgens hem in strijd was met de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). De rechtbank oordeelde dat verweerder voldeed aan het motiveringsvereiste van artikel 28, vierde lid, Wbtv, omdat de inzet van een niet-beëdigde tolk schriftelijk was gemotiveerd vanwege de spoed en het ontbreken van een tijdig beschikbare registertolk.
Daarnaast betoogde eiser dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zou gelden. De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland tekortschiet in de asielprocedure of opvang, mede gelet op het claimakkoord en de mogelijkheid tot klacht bij hogere instanties.
De rechtbank verwierp alle beroepsgronden en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot behandeling van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.