Eisers, ouders van de referent die een verblijfsvergunning asiel heeft, dienden een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aanvraag in het kader van nareis. Verweerder wees deze aanvraag af omdat deze prematuur zou zijn ingediend, aangezien de referent op het moment van beslissing meerderjarig was en de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was verleend.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag niet prematuur was omdat de referent ten tijde van de aanvraag minderjarig was en de asielvergunning met terugwerkende kracht geldig was. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het peilmoment de datum van bekendmaking van de asielvergunning zou zijn in plaats van de datum van de aanvraag.
De rechtbank wijst op een 'Catch-22'-situatie waarin verweerder de referent heeft gebracht door de lange behandelduur van de asielaanvraag. De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van de Awb en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.