Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1. Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:
Hierbij staat:
Bijzondere bijstand (SGR 16/5686)
Voor zover eiseres heeft willen betogen dat verweerder voor situaties als de hare (buitenwettelijk) begunstigend beleid heeft vastgesteld dat ertoe leidt dat de verlaging van de bijstand vanwege de toepassing van de kostendelersnorm feitelijk wordt gecompenseerd, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres doelt blijkens de door haar in het geding gebrachte stukken daarbij kennelijk op een motie met betrekking tot buitenwettelijk beleid, ingebracht in de raadsvergadering van de gemeente Leiden van 10 maart 2016. Verweerder heeft ter zitting daaromtrent uiteengezet dat die motie niet is uitgevoerd en dat hij geen beleid voert voor situaties als die van eiseres. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Eiseres heeft ten slotte een beroep gedaan op twee andere verdragsbepalingen. Zo heeft zij gesteld dat sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Deze bepaling richt zich tot overheden met een verbod van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Eiseres heeft die stelling niet concreet onderbouwd. De rechtbank vermag niet in te zien hoe verweerder zich bij de uitvoering van de Pw in het algemeen, of in het geval van eiseres in het bijzonder, in strijd met deze bepaling zou hebben gedragen. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel. Het beroep dat eiseres heeft gedaan op artikel 11 van Pro het IVESCR treft evenmin doel. Deze verdragsbepaling heeft geen directe werking. Een individuele burger kan daaraan dus geen rechten en verplichtingen ontlenen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de CRvB van 9 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP6172).