Eiser, een Afghaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van zijn bekering tot het christendom. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van zowel zijn identiteit als zijn bekering. De rechtbank stelde vast dat verweerder de motiveringsgebreken uit een eerdere uitspraak had hersteld, maar dat eiser onvoldoende overtuigend had verklaard over zijn bekering en het proces daarvan.
Eiser overhandigde diverse verklaringen, rapporten en een doopakte ter onderbouwing, maar deze konden het gebrek aan overtuiging niet wegnemen. Verweerder stelde dat eiser pas laat melding maakte van zijn bekering en onvoldoende inzicht gaf in zijn innerlijke motieven. Ook de verklaringen van derden werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld.
Daarnaast werd een subsidiaire vrees wegens afvalligheid van de islam niet nader geconcretiseerd en viel buiten het beoordelingskader. Wel was er sprake van een motiveringsgebrek omtrent een telefoongesprek met een vriend in Afghanistan, maar dit werd als niet benadelend voor eiser beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan eiser.